06/3255 WAJONG Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 24 april 2006, 04/3218 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [Betrokkene], en appellant. Datum uitspraak: 30 mei 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2008. Appellant is niet verschenen. Betrokkene was in persoon aanwezig en werd bijgestaan door J.A.J. Vervest, Maatschappelijk Werk & Rechtspraktijk te Eindhoven. II. OVERWEGINGEN Op 21 januari 2002 heeft betrokkene, geboren [in 1971], een aanvraag om een WAJONG-uitkering ingediend. Bij besluit van 20 september 2002 heeft appellant aan betrokkene per 21 januari 2001 een WAJONG-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, onder overweging dat niet is gebleken van een bijzonder geval waarin kan worden afgeweken van de eerste zin van het tweede lid van artikel 29 van de WAJONG, inhoudende dat de uitkering niet vroeger kan ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning (dan wel voortzetting) van de uitkering werd ingediend. Bij besluit van 18 december 2002 heeft appellant betrokkenes bezwaar tegen het besluit van 20 september 2002 ongegrond verklaard. Dit besluit is door de rechtbank ’s-Hertogenbosch bij uitspraak van 29 april 2004 vernietigd, waarna appellant bij besluit van 22 oktober 2004 wederom betrokkenes bezwaar ongegrond heeft verklaard. Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank op basis van de beschikbare medische gegevens gekomen tot het oordeel dat betrokkene ten tijde hier van belang buiten staat is geweest om zelf of met inschakeling van derden een aanvraag om een uitkering in te dienen. Van die gegevens maken met name deel uit de rapporten van de door de rechtbank als onafhankelijke deskundige ingeschakelde psychiater-psychoanalyticus M.J. van Weers van 11 oktober 2005 en van 19 februari 2006 (dat laatste rapport is een reactie op het commentaar van de bewaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans van 23 november 2005 op het eerste rapport). Van Weers is gelet op alle beperkingen van betrokkene in het psychisch, persoonlijk en sociaal functioneren tot de conclusie is gekomen dat er bij betrokkene sprake was van uitdrukkelijk onvermogen om tijdig een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vragen In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat er geen sprake is van een bijzonder geval, daar uit de gedingstukken voldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene in staat is geweest, al dan niet met hulp van anderen, tijdig een aanvraag om een WAJONG-uitkering in te dienen. Uit de in de bezwaarprocedure verkregen aanvullende gegevens blijkt dat betrokkene niet leed aan zodanige psychiatrische stoornissen dat hij daardoor buiten staat was om tijdig een aanvraag in te dienen. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 23 november 2005 geconcludeerd dat uit het rapport van Van Weers weliswaar blijkt dat betrokkene slechts over beperkte vermogens beschikte om tijdig een aanvraag in te dienen, maar dat er niet kan worden gesproken van een expliciet onvermogen daartoe. Van Weers heeft ook aangegeven dat hij niet van oordeel is dat betrokkene zonder meer buiten staat was om de gevolgen van diens gedragskeuzes te overzien en dienovereenkomstig diens wil te bepalen. Betrokkene lijdt namelijk niet aan een ernstige psychiatrische stoornis. Er is bij hem sprake van een lage tot matige begaafdheid, een antisociale persoonlijkheidsstoornis, chronisch polydrugsgebruik en mogelijk ADHD. Vervolgens heeft Van Weers de vergelijking met het strafrecht gemaakt door aan te geven dat in dat geval men in een strafrechtelijk kader zou concluderen tot het bestaan van een sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. Uit de gedingstukken blijkt dat betrokkene in het verleden, ondanks een antisociale persoonlijkheidsstoornis, heeft beschikt over voldoende zelfredzaamheid om diverse malen werk te vinden en zonodig een Ziektewet- of bijstandsuitkering aan te vragen. Betrokkene heeft zelfs in het verleden verschillende malen een bijstandsuitkering genoten. Derhalve kan niet worden gesteld dat betrokkene zijn eigen belangen niet op adequate wijze kon behartigen en buiten staat was om tijdig(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.