04/7324 WAO + 06/5087 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2004, 03/2043 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 24 juli 2006, 05/340 (hierna: aangevallen uitspraak 2) in de gedingen tussen: [Naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene), en appellant. Datum uitspraak: 5 augustus 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 3 juli 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst. Betrokkene is niet verschenen. Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 8 augustus 2007 aan appellant een vraag gesteld over het medisch onderzoek van betrokkene. Appellant heeft hierop geantwoord bij brief van 10 oktober 2007, met als bijlagen een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 9 oktober 2007, een brief van psychiater W.M.J. Hassing van 1 oktober 2007 en correspondentie van betrokkene. Betrokkene heeft de Raad brieven gezonden, door de Raad ontvangen op 3 januari en op 22 januari 2008. Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft wederom plaatsgevonden op 29 januari 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.M.J.A. Clerx. Betrokkene is niet verschenen. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde appellant in de gelegenheid te stellen zich nader te beraden op de situatie van betrokkene. Bij brief van 3 april 2008 heeft appellant een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 2 april 2008 ingezonden. Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft andermaal plaatsgevonden op 24 juni 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael. Betrokkene is niet verschenen. II. OVERWEGINGEN 1. Betrokkene, voorheen werkzaam als boekhoudster, heeft zich op 15 juni 2001, terwijl zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld met psychische klachten. Bij besluit van 11 juli 2002 heeft appellant haar met ingang van 14 juni 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. 2. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 14 maart 2003 (hierna: bestreden besluit 1) heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard. 3. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met bepalingen over griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft daartoe overwogen - kort weergegeven - dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, omdat (de bezwaarverzekeringsarts van) appellant het rapport van 30 december 2002 van de behandelend psychiater van betrokkene, D. Balraadjsing, niet gemotiveerd heeft beoordeeld, terwijl uit dit rapport lijkt te volgen dat de situatie van betrokkene anders was dan ten tijde van het rapport van deze psychiater van 28 september 2001. 4. In hoger beroep is door appellant aangevoerd, zulks onder verwijzing naar een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 15 december 2004, dat beide rapporten van psychiater Balraadjsing wat betreft anamnese, klachten en beperkingen niet verschillen en dat bij de heroverweging in bezwaar het rapport van Balraadjsing wel inhoudelijk is beoordeeld. Betrokkene heeft zich in haar verweer, kort gezegd, achter de aangevallen uitspraak 1 gesteld. 5. In het kader van een eerstejaars herbeoordeling heeft appellant, na kennis genomen te hebben van een rapport van psychiater Balraadjsing van 19 maart 2004, bij besluit van 14 juli 2004 de arbeidsongeschiktheidsuitkering van betrokkene ingaande 29 maart 2004 nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. 6. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 januari 2005 (hierna: bestreden besluit 2) heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard. 7. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met bepalingen over griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft daartoe overwogen - kort weergegeven - dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat appellant naar aanleiding van de bevinding van de behandelend psychiater Balraadjsing, dat betrokkene rust nodig heeft in verband met haar ernstige pathologie, nader onderzoek had moeten (laten) doen, terwijl in het gedrag van betrokkene, voor zover zij onder meer niet heeft meegewerkt aan het onderzoek van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige en ondanks een oproep niet is verschenen ter zitting van de rechtbank, een bevestiging van de ernst van haar ziekte moet worden gezien. 8. In hoger beroep is door appellant, onder verwijzing naar een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 25 augustus 2006, aangevoerd dat het medisch onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden, waarbij de primaire verzekeringsarts ten aanzien van betrokkene een psychiatrisch onderzoek heeft uitgevoerd en informatie heeft opgevraagd bij de behandelaar van betrokkene. 9. De Raad overweegt het volgende. 9.1. De beoordeling van de aangevallen uitspraak 1. De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts van appellant ten behoeve van de heroverweging in bezwaar kennis heeft genomen van de rapporten van de behandelend psychiater van betrokkene, Balraadjsing, van 28 september 2001 en 30 december 2002. De bezwaarverzekeringsarts heeft de inhoud van deze rapporten gewogen en mede afgezet tegen de onderzoeksbevindingen van de primaire verzekeringsarts. Daarbij is de bezwaarverzekeringsarts tot het oordeel gekomen dat met de door betrokkene geclaimde klachten en beperkingen in voldoende mate is rekening gehouden bij het vaststellen van het belastbaarheidspatroon voor betrokkene. 9.2. De Raad is van oordeel dat van deze beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts van appellant niet kan worden gezegd dat daarin onvoldoende aandacht is besteed aan het rapport van Balraadjsing van 30 december 2002, zowel op zichzelf als in samenhang met het rapport van Balraadjsing van 28 september 2001. De Raad ziet mitsdien, anders dan de rechtbank, in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van appellant geen grond om het bestreden besluit 1 onvoldoende gemotiveerd te achten. De Raad heeft hier laten meewegen dat, zoals appellant in hoger beroep terecht heeft aangevoerd, bij de uiteindelijke verzekeringsgeneeskundige beoordeling niet zozeer de (bewoordingen van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.