07/1375 AW en 07/1376 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 januari 2007, 06/2723, 06/2724, 06/3793, 06/3794 en 06/4532 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Korpsbeheerder van de politieregio [politieregio] (hierna: korpsbeheerder) en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: minister) Datum uitspraak: 28 augustus 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De korpsbeheerder en de minister hebben elk een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W. de Klein, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Verstegen, beiden werkzaam bij de politieregio [politieregio]. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.O. de Mooij en mr. A.C. Huizenga, beiden werkzaam bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het navolgende. 1.1. Appellant, sedert 1 oktober 1974 werkzaam als politieambtenaar, was vanaf 1 oktober 1993 bij de politieregio [politieregio] aangesteld als medewerker [naam functie]. In 1998 heeft de Rijksrecherche een onderzoek ingesteld naar mogelijke ongewenste contacten van appellant met criminelen. In dat kader is appellant op de hoogte geraakt van een ook in 1995 naar hem ingesteld onderzoek in verband met aanwijzingen van niet integer gedrag. Daarna heeft appellant zich ziek gemeld. Na de afronding van het onderzoek is appellant ingelicht over het ontbreken van aanwijzingen voor door appellant gepleegde strafbare feiten en is hem meegedeeld dat het vertrouwen in hem volledig was hersteld. Appellant is ook gewezen op de noodzaak behoedzaam te zijn met contacten met als crimineel bekend staande personen. Nadien zijn appellant nog verontschuldigingen aangeboden voor de onterechte verdenkingen. Appellant heeft in 1999 zonder succes een re-integratietraject gevolgd om tot (volledige) werkhervatting te komen. In de daarna volgende jaren hebben de contacten tussen appellant(s raadslieden) en de korpsbeheerder in hoofdzaak betrekking gehad op een door appellant gewenste schadeloosstelling voor het aangedane leed en voor de in de achterliggende jaren mislukte sollicitaties naar functies op het niveau van schaal 8, hetgeen volgens appellant veroorzaakt was door de (onterechte) verdenking van de kant van het korps dat appellant niet integer zou zijn. 1.2. In verband met voornemens van de korpsbeheerder om appellant ontslag te verlenen wegens ziekte zijn achtereenvolgens in 2000, 2002 en 2004 zogenoemde functieonge-schiktheidsadviezen uitgebracht. Deze hielden in dat appellant op de voorgenomen ontslagdata nog niet volledig in zijn eigen functie werkzaam zou zijn, maar dat redelijkerwijze wel te verwachten was dat hij binnen een periode van zes maanden na de voorgenomen ontslagdatum in zijn eigen functie kon terugkeren. In 2005 is naar aanleiding van een ontslagvoornemen op grond van ongeschiktheid wegens ziekte dan wel wegens ongeschiktheid anders dan wegens ziekte nog een vergeefse poging tot het treffen van een minnelijke regeling gedaan. 1.3. Op een verzoek van de korpsbeheerder heeft de minister verzekerd dat hij voor appellant de door de korpsbeheerder voorgestelde (uitkerings)regeling als bedoeld in artikel 95, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) zou treffen. Vervolgens heeft de korpsbeheerder appellant, na een daarop gericht voornemen, bij besluit van 27 april 2006 eervol ontslag verleend op grond van artikel 95, eerste lid, van het Barp. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 1 augustus 2006 ongegrond verklaard (hierna: besluit 1). Kort samengevat was de korpsbeheerder van opvatting dat er een ernstig verstoorde verhouding dan wel impasse was ontstaan, waarvan moest worden aangenomen dat deze niet meer hersteld kon worden. 1.4. De door de minister bij besluit van 6 april 2006 getroffen (uitkerings)regeling is na daartegen gemaakt bezwaar bij besluit van 7 november 2006 gewijzigd onder toekenning van een vergoeding voor de kosten van bezwaar ten bedrage van € 644,- (hierna: besluit 2). 1.5. Bij de aangevallen uitspraak zijn de beroepen van appellant tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. 2. Het hoger beroep van appellant strekt primair tot het ongedaan maken van het ontslag en subsidiair tot een royalere (uitkerings)regeling. Tevens meent appellant dat de vergoeding van de kosten van het bezwaar op een hoger bedrag vastgesteld moet worden. De korpsbeheerder en de minister hebben elk voor hun deel gemotiveerd verweer gevoerd. 3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende. 4. Het ontslag. 4.1. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat besluit 1 vernietigd dient te worden niet de aanwezigheid van een verstoorde verhouding of een impasse ontkend, maar betoogd dat het aan de korpsbeheerder te wijten valt dat de impasse is ontstaan, omdat de korpsbeheerder verschillende op zijn weg gelegen activiteiten heeft nagelaten te ondernemen. Om die reden acht appellant het ontslag ook prematuur en meent hij dat onvoldoende vaststaat dat herstel van de verhoudingen niet meer mogelijk is. 4.2. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Appellant is na de mislukte re-integratie in 1999 onafgebroken met ziekteverlof geweest. Het door appellant in de korpsbeheerder verloren vertrouwen is bij hem nimmer teruggekeerd. De weigering van de korpsbeheer-der om de door appellant verlangde genoegdoening toe te kennen voor de onterechte verdenkingen en voor het daardoor aangedane leed is voor appellant steeds een beletsel geweest om de werkrelatie te herstellen. Aangezien de korpsbeheerder naar het oordeel van de Raad niet ten onrechte niet bereid is geweest tegemoet te komen aan de door appellant gewenste disproportionele genoegdoening, mocht de korpsbeheerder naar het oordeel van de Raad ten tijde van het ontslagbesluit van een onherstelbare situatie uitgaan. Aan appellants grieven over de onvoldoende re-integratieactiviteiten en het ook in zoverre prematuur verleende ontslag gaat de Raad voorbij, omdat aan deze kwestie geen betekenis toekomt bij de beantwoording van de vraag of besluit 1 in rechte stand kan houden. Daartoe overweegt de Raad dat thans niet een ontslag op grond van ongeschiktheid wegens ziekte aan de orde is en dat bovendien (het ontbreken van voldoende) re-integratieactiviteiten geen zichtbare rol heeft gespeeld bij het ontstaan en of voort-bestaan van de verstoorde verhoudingen. 4.3. Het vorenstaande brengt mee dat de Raad van oordeel is dat er een onherstelbare impasse was ontstaan, zodat de korpsbeheerder bevoegd was om appellant per 1 juni 2006 met toepassing van artikel 95, eerste lid, van het Barp ontslag te verlenen. Aangezien niet gebleken is van gronden waarom de korpsbeheerder geen gebruik had mogen maken van zijn ontslagbevoegdheid, kan besluit 1 in rechte stand houden. 5. De (uitkerings)regeling. 5.1. Ingevolge besluit 2 heeft de minister appellant met toepassing van artikel 95, tweede lid, van het Barp toegekend (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.