07/2985 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 april 2007, 06/1879 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: college) Datum uitspraak: 2 oktober 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2008, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. T. Rhijnsburger, advocaat te Rotterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Konijnendijk, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. II. OVERWEGINGEN 1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant was sedert 1 juni 1985 in dienst van de gemeente Rotterdam en laatstelijk werkzaam als [naam functie] zaken bij de [naam dienstonderdeel]. Bij besluit van 20 december 2004 is appellant, met toepassing van artikel 79, eerste lid, aanhef en onder h, van het Ambtenarenreglement van de gemeente Rotterdam (hierna: AR) disciplinair gestraft met indeling in een lagere salarisklasse voor de duur van een jaar. Aan dat besluit lag ten grondslag dat appellant veelvuldig onder diensttijd een aantal ongewenste pornografische/sexsites op zijn computer en, tijdens de afwezigheid van de receptionisten, op de computer van de receptie had bezocht. Appellant is daarbij gewezen op het bij de [naam dienstonderdeel] geldende ICT-reglement en meegedeeld dat indien hij zich wederom niet zou houden aan de gemaakte afspraken of zich schuldig zou maken aan een andere vorm van plichtsverzuim, zwaardere maatregelen zouden worden genomen. Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit. 1.2. Op 6 januari 2005 is de computer waarop appellant zijn werkzaamheden verrichtte gecontroleerd. Daarbij is geconstateerd dat op de internet adresbalk een pornografische site was ingevoerd. Tevens is geconstateerd dat van de computer van appellant alle cookies en temporary internet files waren verwijderd en dat de map geschiedenis leeg was. Uit nader onderzoek is gebleken dat het internet cache geheugen van de computer van appellant was ingesteld op 1 MB, waardoor er geen bestanden groter dan 1 MB worden opgeslagen in de map temporary internet files. De standaardinstelling binnen de [naam dienstonderdeel] is 30 MB of 40 MB. 1.3. Bij besluit van 8 september 2005 heeft het college appellant met toepassing van artikel 79, eerste lid, aanhef en onder j, van het AR, met onmiddellijke ingang disciplinair ontslag verleend. 1.4. Bij besluit van 3 april 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant, in afwijking van het advies van de algemene bezwaarschriftencommissie, dat strekte tot voorwaardelijk strafontslag, ongegrond verklaard. Daartoe is - kort samengevat - overwogen dat het vertrouwen in appellant door zijn gedragingen onherstelbaar is beschadigd. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellant opnieuw weersproken dat hij het cache geheugen van de computer (bewust) heeft verkleind tot 1 MB en gesteld dat het bezoeken van niet-functionele sites tussen 21 december 2004 en 6 januari 2005 niet heeft geleid tot een verstoring van de werkzaamheden. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat zijn gedrag door omstandigheden van persoonlijke aard is beïnvloed, dat hij daarvoor professionele hulp heeft gezocht en dat het eenmalige bezoek aan een pornosite moet worden gezien als een tijdelijke terugval in zijn gedrag. Voorts acht appellant van belang dat hij op geen enkele wijze collega’s heeft geschaad nu zij niet zijn geconfronteerd met afbeeldingen die zij niet zouden willen zien. Op grond hiervan is appellant van mening dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig zwaar is te achten. 4. De Raad overweegt het volgende. 4.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt de Raad als vaststaand aan dat appellant, zoals door hemzelf ook is erkend, zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim bestaande uit (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.