07/6448 WUBO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant] (hierna: appellant), en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 13 november 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 12 oktober 2007, kenmerk BZ 7978, JZ/I/70/2007, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2008. Aldaar is namens appellant verschenen T.J. Mesker-van Kempen, wonende te Spijkenisse. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN 1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in april 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslacht-offer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 30 december 2002. Overwogen is dat appellant weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet, te weten internering in kamp Dawoe te Ngawi tijdens de Bersiap-periode, maar dat bij appellant geen sprake is van blijvende lichamelijke en/of psychische invaliditeit in de zin van de Wet als gevolg van het oorlogsgeweld. Blijkens de gedingstukken is het standpunt van verweerster gebaseerd op een rapport van een door de geneeskundig adviseur, de arts G.J. Laatsch, bij appellant verricht medisch onderzoek alsmede informatie uit de zogenoemde behandelende sector. Uit genoemd rapport komt naar voren dat er bij appellant wel sprake is van met het oorlogsgeweld samenhangende psychische klachten (lichte chronische PTSS) maar tevens dat deze klachten bij appellant geen beperkingen opleveren in zijn dagelijks functioneren zodat geen sprake is van een blijvende invaliditeit in de zin van de Wet. Ten aanzien van de bij appellant aanwezige lichamelijke klachten (status na lepra) is geoordeeld dat deze klachten niet in verband kunnen worden gebracht met het oorlogsgeweld, aangezien - kort samengevat - de besmetting met een endemisch voorkomende ziekte zoals lepra overal kon optreden, zowel binnen als buiten de kampen. Tegen genoemd besluit van 30 december 2002 heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. 1.2. In februari 2007 heeft appellant zich wederom tot verweerster gewend met een verzoek om in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering in de zin van de Wet. In dat verband heeft appellant naar voren gebracht dat zijn psychische klachten zijn verergerd en dat de bij hem aanwezige lichamelijke klachten (status na lepra) voortkomen uit zijn verblijf in het kamp tijdens de oorlog in Indonesië. 1.3. Bij besluit van 17 juli 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op de grond - samengevat - dat de bij appellant aanwezige psychische klachten nog steeds niet leiden tot een invaliditeit in de zin van de Wet en dat appellant met betrekking tot de lichamelijke klachten (status na lepra) geen nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld die aanleiding geven het eerder uitgesproken (negatieve) causaliteitsoordeel te herzien. 2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. 2.1. De hiervoor genoemde aanvraag van februari 2007 draagt, wat betreft de daarin genoemde lichamelijke klachten (status na lepra), het karakter van een verzoek om herziening van het door verweerster naar aanleiding van de aanvraag van april 2002 genomen hiervoor onder 1.1 genoemde besluit, waarbij is geoordeeld dat de (status
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.