06/3486 WAO + 06/3986 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: 1. [betrokkene] (hierna: betrokkene), en 2. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 1 juni 2006, 05/2969 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: betrokkene en het Uwv. Datum uitspraak: 28 januari 2009 I. PROCESVERLOOP Betrokkene, namens deze mr. P.J. van ’t Hoff, en het Uwv hebben hoger beroep ingesteld. Beide partijen hebben het door hen ingediende hoger beroepschrift met nadere stukken aangevuld en, onder meer met een verweerschrift, gereageerd op door de tegenpartij ingebrachte stukken. De gedingen zijn gevoegd en ter behandeling aan de orde gesteld op 17 december 2008, waar partijen - betrokkene met bericht vooraf - niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Betrokkene, geboren op 11 mei 1955, is wegens psychische klachten op 18 februari 2002 uitgevallen voor zijn werk als systeembeheerder. Het Uwv heeft aan betrokkene met ingang van 17 februari 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Deze uitkering is met ingang van 24 februari 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. Bij besluit van 17 februari 2005 heeft het Uwv bepaald dat betrokkenes WAO-uitkering met ingang van 18 april 2005 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 17 februari 2005 is bij besluit van 18 augustus 2005 (hierna: bestreden besluit) door het Uwv ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Met betrekking tot de medische kant van de onderhavige besluitvorming, zag zij, gelet op de (bezwaar)verzekeringsgeneeskundige rapportages van 5 januari 2005, 17 juni 2005 en 27 oktober 2005, geen aanleiding de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van betrokkene per 18 april 2005 voor onjuist te houden en oordeelde zij genoegzaam gemotiveerd waarom er op de in geding zijnde datum geen reden meer is voor een urenbeperking. De arbeidskundige grondslag van de onderhavige besluitvorming ontmoette evenwel bedenkingen bij de rechtbank omdat bij het bestreden besluit gebruik is gemaakt van het naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004, onder meer LJN AR4716 en AR4717, aangepaste Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) en het aangepaste CBBS naar haar oordeel nog steeds niet in alle gevallen en voor alle betrokkenen een voldoende inzichtelijke en eenduidige besluitvorming oplevert. De reden daarvoor zag de rechtbank gelegen in het feit dat de (bezwaar)arbeidsdeskundige in bepaalde gevallen zelfstandig een met een ‘M’ (motivering vereist) aangegeven signalering mag omzetten in een ‘G’ (motivering niet vereist). Nu ook bij de in het kader van de onderhavige schatting geduide functies signaleringen voorkomen waarbij een ‘G’ is vermeld, is niet zonder meer duidelijk waarom de belasting in de desbetreffende functies de belastbaarheid van betrokkene niet overschrijdt. Om deze reden heeft de rechtbank het bestreden besluit in strijd geoordeeld met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3.1. In hoger beroep heeft betrokkene zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Daarnaast heeft betrokkene aangevoerd dat bij het bestreden besluit ten onrechte toepassing is gegeven aan het met ingang van 1 oktober 2004 van kracht zijnde Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, in welk verband betrokkene zich heeft beroepen op een afspraak terzake in het Regeerakkoord (kabinet Balkenende IV, 2007). Tot slot heeft betrokkene gesteld dat de onderhavige schatting geen stand kan houden omdat de belasting in de aan hem geduide functie van brugwachter (SBC 282170) zijn belastbaarheid te boven gaat en, als die functie vervalt, er onvoldoende functies resteren om de schatting te kunnen dragen. 3.2. Het hoger beroep van het Uwv is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Het Uwv heeft zich daarbij aanvankelijk op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van betrokkene niet te boven gaat. Op een later moment in de procedure heeft het Uwv, gelet op de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006, LJN AY9971, AY9973, AY9974, AY9976 en AY9980, het door hem ingenomen standpunt gewijzigd en, onder overlegging van nadere arbeidskundige rapportages, gesteld dat alsnog voldoende inzichtelijk en eenduidig is gemaakt dat de geduide functies op juiste gronden aan betrokkene zijn geduid. 4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak. 4.1.1. Betrokkene heeft met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit aangevoerd dat zijn medische beperkingen zijn onderschat, dat ten onrechte geen urenbeperking meer is aangenomen en dat de zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op een aantal aspecten (betreffende sociaal functioneren, tocht en tillen) onjuist is te achten. 4.1.2. De Raad kan betrokkene in dit betoog niet volgen. In hetgeen door betrokkene terzake is aangevoerd, ziet de Raad onvoldoende grond voor het oordeel dat de ten aanzien van betrokkene vastgestelde FML een onjuiste weergave geeft van betrokkenes belastbaarheid. Met de rechtbank ziet de Raad in de hiervoor onder 2 bedoelde (bezwaar)verzekeringsgeneeskundige rapportages genoegzaam steun voor het oordeel dat betrokkenes belastbaarheid bij het bestreden besluit niet is overschat. Hij wijst er daartoe op dat de arts N.M.M. Kummeling, blijkens diens rapportage van 5 januari 2005, zich heeft gebaseerd op in het dossier aanwezige medische gegevens, een eigen psychodiagnostisch onderzoek, alsmede op in overleg met betrokkene opgevraagde medische informatie van de huisarts van betrokkene. Voorts wijst de Raad op de rapportage van 27 oktober 2005 van de bezwaarverzekeringsarts P. Bavelaar, waarin genoegzaam aannemelijk is toegelicht dat er ten aanzien van betrokkene geen sprake is van de afwezigheid van duurzaam te benutten arbeidsmogelijkheden. 4.1.3. Ook de stelling van betrokkene dat bij het bestreden besluit ten onrechte toepassing is gegeven aan het aangepaste Schattingsbesluit 2004 kan naar het oordeel van de Raad niet slagen. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.