08/3671 WSF Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 mei 2008, 07/1750 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep). Datum uitspraak: 20 februari 2009 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari
- Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn vader R.C. van Brummelen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg. II. OVERWEGINGEN 1.
- Bij Bericht Terugbetalen van 6 februari 2007 heeft de IB-Groep aan appellant meegedeeld dat op 1 februari 2007 zijn studieschuld € 6.152,04 bedraagt en dat appellant vanaf 1 januari 2008 per maand € 45,41 op zijn studieschuld af moet lossen. 1.
- Tegen het onder 1.1 vermelde Bericht Terugbetalen heeft appellant bezwaar gemaakt. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij zich er niet mee kan verenigen dat - zakelijk weergegeven - door de IB-Groep van meet af aan rente berekend is over door hem ontvangen bedragen waarvoor hij geen rentedragende lening heeft aangevraagd. 1.
- Het door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van 11 juni 2007 door de IB-Groep niet-ontvankelijk verklaard. De IB-Groep heeft daartoe overwogen dat het Bericht Terugbetalen van 6 februari 2007 niet gericht is op rechtsgevolg voorzover het is aangevochten; immers, in eerdere berichten is reeds bekendgemaakt dat en tot welke bedragen aan appellant een rentedragende lening is toegekend. Daarom is er in zoverre geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit op bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar de uitspraak van de Raad van 20 februari 2004, 02/5393 WSF (LJN AO4315).
- Appellant heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat zijn beroep bij de aangevallen uitspraak ten onrechte ongegrond is verklaard omdat zijn bezwaar ontvankelijk had moeten worden geacht wegens door de IB-Groep gewekte te honoreren verwachtingen. In dit verband heeft appellant erop gewezen dat in een besluit van 17 augustus 2001 is aangegeven dat appellant nadat hij is opgehouden studerende te zijn een beschikking zal ontvangen met een appellabel overzicht van de in totaal aan appellant uitbetaalde bedragen aan rentedragende lening. Verder is door appellant gewezen op de ongeclausuleerde rechtsmiddelverwijzing op het Bericht Terugbetalen van 6 februari
- 4.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- De Raad onderschrijft het door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ter zake van de ontvankelijkheid van het bezwaar van appellant gegeven oordeel en maakt dat tot het zijne. Voor de beantwoording van de vraag of het Bericht Terugbetalen van 6 februari 2007 (wat het al dan niet zijn verschuldigd van rente betreft) is gericht op rechtsgevolg, acht de Raad niet relevant of door de IB-Groep bij appellant de verwachting is gewekt dat hij zijn onder 1.2 vermelde bezwaar alsnog inhoudelijk aan de orde kan stellen. Wel relevant is of dat bericht te dies aanzien is gericht op rechtsgevolg en dat is niet het geval. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, treft derhalve geen doel.
- Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd
- Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 februari
- (get.) G. van der Wiel. (get.) A.C.A. Wit. JL