07/3386 WIA 08/5651 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant) tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 mei 2007, 06/3517 (hierna: aangevallen uitspraak) in het geding tussen appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) Datum uitspraak: 1 april 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P.L. Wilke, werkzaam bij de juridische dienst van CNV Hout en Bouw te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld. Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Op 19 november 2007 heeft Uwv een nieuw besluit op bezwaar genomen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2008. Voor appellant is verschenen mr. Wilke. Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H. Beersma, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant is reeds jarenlang werkzaam als asfalteringsafwerker en heeft daarbij gehoorschade opgelopen. In een door dr. S.J. Rietema, als keel-, neus- en oorarts verbonden aan het Ziekenhuis Gelderse Vallei te Ede, op 9 februari 2006 gemaakt audiogram is het gehoorverlies van appellant vastgesteld op 55 dB aan het rechteroor en 40 dB aan het linkeroor. 1.2. Appellant heeft op 30 maart 2006 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wia) bij Uwv een aanvraag ingediend voor vergoeding van de kosten van de aanschaf van twee Oction hoortoestellen (één links, één rechts) met toebehoren. Daarbij is aangegeven dat de hoortoestellen noodzakelijk zijn om te komen tot een normale lichaamsfunctie tijdens asfalteringswerkzaamheden. Zonder gehoorapparaten leiden de werkzaamheden langs de weg tot onveilige situaties. De kosten van de aangeschafte hoortoestellen hebben € 3.520,-- bedragen. De ziektekostenverzekeraar van appellant heeft een vergoeding verstrekt van € 1.082,--, zodat het appellant te doen is om een aanvullende vergoeding van € 2.438,--. 1.3. Bij besluit van 6 april 2006, gehandhaafd bij besluit van 17 augustus 2006, heeft Uwv de aanvraag afgewezen. Hieraan ligt, onder verwijzing naar artikel 2 van het op artikel 35 van de Wia berustende Reïntegratiebesluit, het standpunt ten grondslag dat een hulpmiddel dat vrijwel uitsluitend voor het werk noodzakelijk is op grond van de Wia wordt vergoed en dat de vergoeding dan wel verstrekking van een hulpmiddel dat (mede) voor gebruik in privésituaties nodig is - hetgeen doorgaans bij een gehoorverlies van meer dan 35 dB het geval is - tot de bevoegdheidssfeer van de ziektekostenverzekeraar behoort. Aangezien appellant een gehoorverlies heeft van meer dan 35 dB en hij zowel voor het werk als daarbuiten aangewezen is op het gebruik van een hoortoestel, acht Uwv zich niet bevoegd om een aanvullende vergoeding te verstrekken. 2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 17 augustus 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 28 maart 2007, LJN BA2357 en LJN BA2409, waarin een nadere uitleg is gegeven aan de met artikel 35 van de Wia en artikel 2 van het Reïntegratiebesluit - voor zover van belang - overeenkomende tot 29 december 2005 geldende regeling, neergelegd in artikel 31 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten en artikel 2 van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA, heeft de rechtbank overwogen dat Uwv wel bevoegd is een (aanvullende) vergoeding toe te kennen. De vergoeding van een hoortoestel door de zorgverzekeraar is geen de - aanvullende - bevoegdheid van Uwv uitsluitende voorliggende voorziening, omdat de zorgverzekering niet voorziet in een aanspraak op vergoeding van hoortoestellen die geschikt zijn voor de specifieke werksituatie van de verzekerde. 2.2. Aan haar beslissing om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 17 augustus 2006 in stand te laten heeft de rechtbank de overweging ten grondslag gelegd dat uit artikel 2, tweede lid, van het Reïntegratiebesluit volgt dat, om voor toekenning van een vergoeding in aanmerking te komen, de betreffende voorziening vrijwel uitsluitend geïndiceerd dient te zijn voor de werksituatie, dan wel vrijwel uitsluitend gebruikt kan worden in de werksituatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant zijn stelling dat de hoortoestellen vrijwel uitsluitend geïndiceerd zijn voor zijn werkzaamheden onvoldoende aannemelijk gemaakt, zodat Uwv in redelijkheid heeft kunnen weigeren aan hem een (aanvullende) vergoeding te verstrekken op grond van de Wia en het Reïntegratiebesluit. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 17 augustus 2006 in stand zijn gelaten en heeft tevens verzocht om vergoeding van de wettelijke rente over de niet tijdig verstrekte vergoeding van de kosten van de hoortoestellen. 4.1. Bij het nieuwe besluit op bezwaar van 19 november 2007 heeft Uwv het bezwaar tegen het besluit van 6 april 2006 alsnog gegrond verklaard en aan appellant een aanvullende vergoeding van de kosten van de hoortoestellen toegekend tot een bedrag van € 1.400,--. Uwv heeft met dit besluit geanticipeerd op naar aanleiding van de hiervoor genoemde uitspraken van de Raad van 28 maart 2007 ontwikkeld, maar nog niet gepubliceerd, beleid met betrekking tot hoortoestellen. Dit beleid bepaalt dat een (aanvullende) vergoeding wordt verstrekt van maximaal € 700,-- per hoortoestel voor de persoon die een hoortoestel in de werksfeer nodig heeft, maar geen vergoeding krijgt van de zorgverzekeraar of die wel een vergoeding van de zorgverzekeraar krijgt, maar welke vergoeding - zoals in geval van appellant - niet toereikend is. 4.2. Naar aanleiding van het besluit van 19 november 2007 heeft appellant de rechtsgeldigheid van het nieuwe, nog niet gepubliceerde, beleid betwist en voorts, nu sprake is van gegrondverklaring van het bezwaar, verzocht om vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten. 5. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.1.1. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wia, kan Uwv, voor zover hier van belang, aan de persoon met een naar het oordeel van Uwv structurele functionele beperking, en die arbeid in dienstbetrekking verricht, op aanvraag voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid. In het tweede lid van artikel 35 van de Wia is, voor zover hier van belang, bepaald dat onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid uitsluitend worden verstaan meeneembare voorzieningen ten behoeve van de inrichting van de arbeidsplaats, de productie- en werkmethoden en de bij de arbeid te gebruiken hulpmiddelen, die in overwegende mate op het individu van de persoon, bedoeld in het eerste lid, zijn afgestemd. Artikel 35, vierde lid, van de Wia bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot dit artikel nadere regels kunnen worden gesteld. 5.1.2. Aan artikel 35, vierde lid, van de Wia is uitvoering gegeven door vaststelling van het Reïntegratiebesluit. Artikel 2 van het Reïntegratiebesluit bepaalt dat een voorziening als bedoeld in artikel 35 van de Wia niet wordt verleend indien het een voorziening betreft die
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.