08/1299 ZFW 08/1302 ZFW 08/1713 ZFW 08/1716 ZFW 08/1720 ZFW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: [Appellant 1], wonende te Frankrijk, [Appellant 2] wonende te België, [Appellant 3], wonende te Italië, [Appellant 4], wonende te Ierland, (hierna ook: appellanten), tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 31 januari 2008, 07/3445 e.v. en 07/3622 e.v. (hierna: aangevallen uitspraken), in de gedingen tussen: appellanten en het College voor zorgverzekeringen (hierna: Cvz) Datum uitspraak: 26 augustus 2009. I. PROCESVERLOOP Ingevolge artikel II, tweede lid, aanhef en onder b, van de – met ingang van 1 augustus 2008 in werking getreden – Wet van 29 mei 2008 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet in verband met de rechtsgang bij inhouding van de bijdrage van verdragsgerechtigden (rechtsgang bronheffing verdragsgerechtigden) (Stb. 278) is Cvz als procespartij in aanhangige gedingen in de plaats getreden van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb). In deze uitspraak wordt onder Cvz voor zover nodig tevens begrepen de Svb. Namens appellanten hebben mr. E.H. Pijnacker Hordijk en mr. W.W. Geursen, beiden advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken. Cvz heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaken ter behandeling gevoegd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2009. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Pijnacker Hordijk en mr. A.M.E. Voerman, eveneens advocaat te Den Haag. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Dijen, mr. H.C.D. van der Herberg en drs. N. Stiemer. De Raad heeft het onderzoek heropend. De Raad heeft appellanten een nadere vraag gesteld, die namens hen is beantwoord. In de zaak van appellant [naam appellant 4] heeft Cvz een vraag van de Raad beantwoord, waarop namens appellant [naam appellant 4] is gereageerd. Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten. II. OVERWEGINGEN 1.1. Appellanten zijn allen Nederlanders en wonen in een andere lidstaat van de Europese Unie (hierna: EU). Appellanten [naam appellant 1], [naam appellant 2] en [naam appellant 3] zijn gepensioneerd en ontvangen een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW) uit Nederland. Appellant [naam appellant 4] ontving ten tijde hier van belang een flexibele pensioenuitkering uit Nederland. Appellant [naam appellant 1] was tot 1 januari 2006 voor zijn ziektekosten vrijwillig verzekerd bij de Caisse Primaire d’Assurance Maladie (hierna: CPAM) in zijn woonland Frankrijk en had daarnaast een aanvullende particuliere verzekering bij een Franse verzekeringsmaatschappij. Appellant [naam appellant 2], woonachtig in België, was tot 1 januari 2006 voor zijn ziektekosten particulier verzekerd bij de Nederlandse verzekeringsmaatschappij CZ. Appellant [naam appellant 3], woonachtig in Italië, was op 1 januari 2006 voor zijn ziektekosten particulier verzekerd bij de Nederlandse verzekeringsmaatschappij Univé onder een zogeheten wereldpolis. Appellant [naam appellant 4], woonachtig in Ierland, was op 1 januari 2006 voor zijn ziektekosten als zodanig verzekerd bij de Ierse National Health Service (hierna: NHS) en had daarnaast een aanvullende particuliere verzekering bij een Ierse verzekeringsmaatschappij. Vóór 1 januari 2006 waren appellanten niet verplicht verzekerd op grond van de Nederlandse Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). 1.2. Met ingang van 1 januari 2006 is de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) in werking getreden. Vanaf die datum hebben appellanten op grond van Verordening EG 1408/71 (hierna: Vo 1408/71) recht op zorg in hun woonland, ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg zijn appellanten, die door Cvz zijn aangemerkt als verdragsgerechtigden in de zin van Vo 1408/71, ingevolge artikel 69 van de Zvw een bijdrage Zvw verschuldigd, die wordt ingehouden op het Nederlandse pensioen onderscheidenlijk de Nederlandse uitkering. 1.3. De bijdrage Zvw is – nader – geregeld in de Regeling zorgverzekering (hierna: Regeling). De bijdrage Zvw bestond aanvankelijk uit: a. een inkomensafhankelijke bijdrage, berekend overeenkomstig paragraaf 5.2 van de Zvw, b. een inkomensafhankelijke bijdrage ter hoogte van 70% van de premie voor de AWBZ, en c. een bijdrage, gelijk aan de niet-inkomensafhankelijke premie voor de Zvw. 1.4. Bij vonnis van 31 maart 2006 (LJN AV7778) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage uitspraak gedaan in een kort geding tussen de Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland en enkele belanghebbenden enerzijds, en de Staat der Nederlanden anderzijds. De voorzieningenrechter heeft onder meer overwogen dat met name het heffen van het onder 1.3 bij b genoemde deel van de bijdrage Zvw een structureel gelijke behandeling van ongelijke gevallen inhield, nu sprake was van één, internationaal gezien, hoge heffing bij zeer uiteenlopende niveaus van verstrekkingen, waarvoor Nederland aan de woonlanden vaak een veel lager bedrag betaalde. Dit heeft de voorzieningenrechter tot het oordeel geleid dat de Regeling in zoverre onmiskenbaar onverbindend was wegens strijd met het algemeen rechtsbeginsel dat een dergelijke gelijke behandeling van ongelijke gevallen verbiedt. 1.5. Naar aanleiding van dit vonnis is de Regeling, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006, aangepast. In artikel 6.3.1 van de Regeling is nu neergelegd dat de bijdrage Zvw wordt vastgesteld op basis van een grondslag die gelijk is aan de som van de onder 1.3 bij a, b en c genoemde delen, met dien verstande dat bij b de volledige premie voor de AWBZ als uitgangspunt wordt genomen. Deze grondslag wordt vermenigvuldigd “met het getal dat wordt berekend uit de verhouding tussen de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekering in het woonland van deze persoon, en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekeringen in Nederland”. Dit is de zogenoemde woonlandfactor. 1.6. De woonlandfactor was voor de landen waarin appellanten woonachtig zijn, voor het jaar 2006 vastgesteld op: Frankrijk:0,6633 België:0,6186 Italië:0,5845 Ierland:0,9345. 1.7. Bij de door appellanten in beroep bij de rechtbank bestreden besluiten op bezwaar is de door hen verschuldigde bijdrage Zvw voor (een deel van) het jaar 2006 vastgesteld. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken, voor zover hier van belang, de beroepen van appellanten ongegrond verklaard. 3.1. In het hoger-beroepschrift zijn de gevolgen voor appellanten van de stelselwijziging per 1 januari 2006 als volgt geschetst. 3.1.1. Appellant [naam appellant 1] heeft zich met het E-121 formulier ingeschreven bij de CPAM en zijn aanvullende particuliere verzekering behouden. Wat de dekking van de verzekering bij de CPAM betreft veranderde er op dat moment niets. In plaats van de premie die hij tot 1 januari 2006 aan de CPAM betaalde, wordt hem nu de bijdrage Zvw in rekening gebracht. [naam appellant 1] stelt dat hij er daardoor in netto inkomen ongeveer 7,5% op is achteruitgegaan. 3.1.2. De Nederlandse particuliere verzekering van appellant [naam appellant 2] is op grond van de nieuwe wetgeving door de verzekeringsmaatschappij opgezegd. [naam appellant 2] is sindsdien aangesloten bij een Belgische mutuelle. Hij stelt dat hij als gevolg van de hem in rekening gebrachte bijdrage Zvw er weliswaar slechts 0,2% in netto inkomen op is achteruitgegaan, maar dat de echte achteruitgang voor hem is gelegen in het feit dat de dekking van zijn nieuwe verzekering aanzienlijk minder is. Hij heeft zich in België voor die vermindering van de dekking niet meer kunnen bijverzekeren. Dit betekent dat hij, als hij daadwerkelijk ziektekosten heeft, zal worden geconfronteerd met een sterke tot zeer sterke achteruitgang van zijn netto inkomen. 3.1.3. De Nederlandse particuliere verzekering van appellant [naam appellant 3] onder een zogeheten wereldpolis is op en na 1 januari 2006 voortgezet. [naam appellant 3] stelt dat hij als gevolg van de hem in rekening gebrachte bijdrage Zvw er in netto inkomen ongeveer € 6.000,- op is achteruitgegaan. 3.1.4. Appellant [naam appellant 4] heeft zich met het E-121 formulier ingeschreven bij de NHS en heeft zijn aanvullende particuliere verzekering behouden. Wat de dekking van de verzekering bij de NHS betreft veranderde er op dat moment niets. Sindsdien wordt hem de bijdrage Zvw in rekening gebracht. [naam appellant 4] stelt dat hij er in netto inkomen ongeveer 16% op is achteruitgegaan, terwijl hij daarnaast via de Ierse inkomstenbelasting nog steeds bijdraagt aan de NHS. 3.2. In hoger beroep hebben appellanten allereerst aangevoerd dat de bijdrage Zvw een belasting is. Op grond van de toepasselijke belastingverdragen heeft Nederland geen heffingsbevoegdheid ter zake van deze belasting. Hierbij is onder andere verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof) van 3 april 2008 in de zaak C-103/06 (Derouin). Dit betekent dat er geen rechtsgrondslag is voor inhouding van de bijdrage Zvw. 3.3. De Raad onderschrijft, met Cvz, niet het standpunt van appellanten dat de bijdrage Zvw moet worden aangemerkt als een belasting. De Raad stelt daarbij voorop dat de Zvw zelf de bijdrage Zvw niet als een belasting kwalificeert. Op grond van artikel 33 van Vo 1408/71 is Nederland bevoegd een bijdrage te heffen overeenkomstig zijn eigen wetgeving. Het gaat derhalve om een bijdrage in de zin van Vo 1408/71 die is geconcretiseerd in de Nederlandse wetgeving. Een dergelijke bijdrage moet naar het oordeel van de Raad, mede gelet op de arresten van het Hof van 15 februari 2000 in de zaken C-34/98 en C-169/98 (Commissie-Frankrijk), worden gekwalificeerd als een sociale bijdrage bestemd voor de financiering van (een deel van) het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel. De bijdragen worden immers toegevoegd aan het Zorgverzekeringsfonds, waaruit Nederland de kosten in verband met de Zvw op grond van internationale verdragen betaalt. Nu geen sprake is van een belasting, komt de Raad aan bespreking van hetgeen in dit verband voor het overige is aangevoerd, niet toe. 3.4. De Raad stelt bij zijn verdere beoordeling voorop dat de gemachtigde van appellanten desgevraagd heeft medegedeeld dat in deze zaken niet wordt betwist dat het Nederlandse uitvoeringsorgaan (Cvz) op zichzelf gerechtigd is ingevolge (het stelsel van) Vo 1408/71 (artikelen 28a, 28bis, 33 en Bijlage VI, onder R, onder 1 a en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.