← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7985

08/3159 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 april 2008, 07/4675 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 18 september 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. H. van der Wal, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij gevoegd een rapport van de bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest van 21 juli 2008 en een rapport van bezwaararbeidsdeskundige van A.W. van Mastrigt van 16 oktober

  1. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus
  2. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede. II. OVERWEGINGEN
  3. Appellant, voorheen werkzaam als productiemedewerker bloemen, is op 5 april 2005 uitgevallen voor dat werk wegens rugklachten. 1.
  4. Bij besluit van 19 juli 2007 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat hij vanaf 3 april 2006 geen uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) kan krijgen. 1.
  5. Bij besluit van 14 november 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 juli 2007 ongegrond verklaard.
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de medische belastbaarheid van appellant bij het bestreden besluit niet is overschat. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de rugklachten van appellant door de (bezwaar)verzekeringsarts zijn onderkend, maar daarin geen aanleiding heeft gezien tot het stellen van beperkingen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant weliswaar gesteld heeft dat hij last heeft van zijn hoofd, stress, vergeetachtigheid en maagklachten, maar hierover geen medische informatie heeft overgelegd ter onderbouwing van deze klachten. De door appellant overgelegde afsprakenkaart van BAVO-Europoort kon naar het oordeel van de rechtbank buiten beschouwing worden gelaten omdat deze ziet op afspraken die dateren van ruim na de datum in geding. Ten aanzien van appellants grief dat zijn beperking wat betreft het omgaan met conflicten ook ziet op omgang met collega’s heeft de rechtbank overwogen dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) onder 2.9 een apart item voor samenwerking is opgenomen. Omdat in 2.
  7. van de FML geen beperkingen voor samenwerken staan vermeld, terwijl appellant evenmin informatie heeft verstrekt op grond waarvan moet worden aangenomen dat de (bezwaar)verzekeringsarts appellant ten onrechte op dit punt niet beperkt heeft geacht, kan deze grief naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. De rechtbank concludeerde dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk.
  8. In hoger beroep zijn de namens appellant tijdens de procedure in eerste aanleg aangevoerde grieven herhaald. Daarnaast is aangevoerd dat sprake is van een onzorgvuldig genomen bestreden besluit nu het Uwv zijn grief met betrekking tot het opleidingsniveau van appellant niet heeft besproken, evenmin als zijn grief met betrekking tot de in de functie van appellant voorkomende repetitieve handelingen en zijn grieven ten aanzien van appellants beperkingen met betrekking tot de items herinneren, inzicht in eigen kunnen en eigen gevoelens uiten.
  9. De Raad overweegt als volgt. 4.
  10. Voor zover appellant in bezwaar dan wel beroep heeft willen doen stellen dat hij ook beperkt moet worden geacht met betrekking tot de items herinneren, inzicht in eigen kunnen en eigen gevoelens uiten heeft appellant zijn stelling dienaangaande nimmer op enigerlei wijze onderbouwd. De Raad ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat het Uwv ten onrechte geen beperkingen heeft aangenomen ten aanzien van deze items. Daarbij merkt de Raad nog op dat in de rapportage van de verzekeringsarts F.C. Swaan van 21 juni 2007 geen claimklachten zijn vermeld die wijzen op dergelijke beperkingen. 4.
  11. In het bestreden besluit heeft het Uwv het volgende overwogen. “Wat betreft de door uw gemachtigde aangevoerde grond inzake het opleidingsniveau, merken wij op dat dit alleen relevant is in een situatie waarin een arbeidskundige schatting op basis van theoretische arbeidsmogelijkheden aan de orde is. Nu dit niet het geval is, wij achten u immers geschikt voor eigen werk, hebben wij het bezwaar wat betreft deze grond niet verder onderzocht.” Niet kan derhalve worden staande gehouden dat het Uwv appellants grief met betrekking tot het opleidingsniveau niet heeft besproken. Dat appellant zich niet kan vinden in deze overweging van het Uwv - die de Raad overigens juist voorkomt - maakt dat niet anders. 4.
  12. Gelet op hetgeen appellant in bezwaar heeft aangevoerd begrijpt de Raad appellants grief met betrekking tot de repetitieve handelingen in zijn functie, althans het niet bespreken daarvan, aldus dat appellant anders dan het Uwv het eigen werk niet geschikt acht omdat er in die functie sprake is van repetitieve handelingen, namelijk het bij herhaling op een band leggen van bloemen, waardoor appellants rugklachten zullen verergeren. Arbeidsdeskundige R. Ham heeft in zijn rapport van 18 juli 2007 de functie van appellant omschreven en is vervolgens tot de conclusie gekomen dat appellant, gelet op het feit dat hij slechts beperkt is ten aanzien van conflicthantering en daarvan geen sprake is in de maatgevende arbeid, geschikt is te achten voor de maatgevende arbeid. Bezwaararbeidsdeskundige Van Mastrigt heeft naar aanleiding van de aangevoerde bezwaren het primaire arbeidskundig oordeel heroverwogen en is in zijn rapport van 7 november 2007 tot de conclusie gekomen dat de omschrijving van de werkzaamheden adequaat is en dat ook hij van mening is dat de belasting in dit werk op geen enkel punt de belastbaarheid van appellant overschrijdt. De Raad acht appellants grief, zeker nu er geen sprake is van beperkingen ten aanzien rugklachten, daarmee voldoende besproken zodat deze grief niet kan slagen. 4.
  13. Voor het overige overweegt de Raad dat hij zich geheel kan vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten gronde liggende overwegingen. Hetgeen appellant dienaangaande in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat, in vergelijking met appellants stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten. 4.
  14. Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld, hetgeen betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd
  15. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september
  16. (get.) C.W.J. Schoor. (get.) T.J. van der Torn. KR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.