← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8437

08/1296 WAZ Centrale Raad van Beroep Enkelvoudig kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 januari 2008, 07/585 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 23 september 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat te Margraten, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bouts. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant was werkzaam als zelfstandig centrale verwarmingsinstallateur. Bij besluit van 4 mei 2006 heeft het Uwv aan appellant in verband met nek-, rug- en knieklachten met ingang van 7 mei 2001 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In verband met het vaststellen van inkomsten uit arbeid over 2001 heeft appellant op verzoek van het Uwv de jaarstukken over dat jaar ingezonden. 1.
  3. Bij besluit van 3 november 2006 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat in verband met inkomsten uit arbeid de WAZ-uitkering met ingang van 7 mei 2001 wordt uitbetaald alsof hij 25 tot 35% arbeidsongeschikt is. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft aangevoerd dat hij in het jaar 2001 geen werkzaamheden meer had verricht. Hij had een onderhoudscontract met [bedrijfsnaam] te [vestigingsplaats], welk contract met ingang van 1 januari 2001 was beëindigd. De eindfactuur over het jaar 2000 is op 23 februari 2001 door [bedrijfsnaam] verzonden. De op grond van deze factuur ontvangen inkomsten zijn geboekt in 2001, terwijl de werkzaamheden zijn verricht in het jaar
  4. 1.
  5. Bij besluit van 14 maart 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat de korting wegens inkomsten uit arbeid over de periode van 7 mei 2001 tot 1 januari 2002 is gebaseerd op de fiscale winst over het jaar
  6. Het Uwv acht daarbij doorslaggevend de door appellant in het kader van de fiscale wetgeving gemaakte keuze dat in 2001 sprake is van winst uit onderneming. Van bijzondere omstandigheden om van de gemaakte keuze af te wijken is het Uwv niet gebleken.
  7. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het in het bestreden besluit ingenomen standpunt van het Uwv onderschreven en het door appellant tegen dat besluit ingestelde beroep, waarvan de gronden een herhaling vormden van hetgeen in bezwaar was aangevoerd, ongegrond verklaard.
  8. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank betwist. Hij heeft daartoe aangevoerd dat in zijn geval sprake is van bijzondere omstandigheden om af te wijken van het uitgangspunt dat bij de vaststelling van de inkomsten uit arbeid van een zelfstandige de in het kader van de fiscale wetgeving gemaakte keuze in beginsel wordt gevolgd. Hij heeft herhaald dat hij in het jaar 2001 feitelijk niet heeft gewerkt aangezien het onderhoudscontract met [bedrijfsnaam] met ingang van 1 januari 2001 was beëindigd. Hij heeft aan zijn bezwaren toegevoegd dat de ontplooide activiteiten die tot het fiscaal inkomen over 2001 hebben geleid, in het jaar 2000 door derden werden verricht. De in 2001 genoten inkomsten zijn dan ook uitbetaald aan derden. Hij heeft over 2001 geen inkomsten genoten, maar in dat jaar van zijn spaargeld geleefd.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. In dit geding is de vraag aan de orde of het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de WAZ in verband met inkomsten uit arbeid over 2001 terecht met toepassing van artikel 58 van de WAZ heeft uitbetaald als ware hij 25 tot 35% arbeidsongeschikt. Aan die vraag gaat vooraf het vaststellen door het Uwv van het recht op uitkering van appellant ingevolge die wet. 4.
  11. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 19 oktober 2007, LJN BB6169) dient bij de vaststelling van het inkomen uit arbeid van een zelfstandige in beginsel doorslaggevende betekenis te worden toegekend aan de door die zelfstandige in het kader van de fiscale wetgeving gemaakte keuzes. Deze hoofdregel lijdt slechts uitzondering indien aantoonbaar sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat de aan de fiscus gedane opgave niet tot uitgangspunt kan worden genomen. 4.
  12. Van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld is de Raad niet gebleken. Het feit dat appellant met ingang van 1 januari 2001 het onderhoudscontract met [bedrijfsnaam] heeft beëindigd, levert geen bijzondere omstandigheid op, nu daaruit niet kan worden afgeleid dat in 2001 geen sprake meer is van het door appellant verrichten van werkzaamheden. Het bedrag van de eindfactuur van [bedrijfsnaam] van 23 februari 2001 stemt niet overeen met de omzet van het bedrijf van appellant over
  13. Verder blijkt uit de jaarcijfers over 2001 niet van aan derden uitbetaalde kosten tot het bedrag van deze factuur. De Raad neemt bij zijn oordeelsvorming tevens in aanmerking dat ook de door appellant gedane belastingopgave over het jaar 2001, waarin hij de zogenoemde zelfstandigenaftrek heeft geclaimd, er – gelet op de voorwaarden voor zulk een aftrek – geenszins op wijst dat appellant in dat jaar zijn werkzaamheden reeds had gestaakt. De Raad ziet evenmin een bijzondere omstandigheid in het gegeven dat het Uwv volgens appellant eerst bij besluit van 4 mei 2006 de mate van appellants arbeidsongeschiktheid heeft bepaald naar de klasse van 80 tot 100%. 4.
  14. Uit het onder 4.1 tot en met 4.3 overwogene volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september
  16. (get.) T. Hoogenboom. (get.) I.R.A. van Raaij. JL

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.