← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8678

08/3251 en 08/3253 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 april 2008, 07/1327 en 07/4962 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 25 september 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. I. Blekman, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met als bijlage een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 15 juli

  1. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus
  2. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. A. Simsek, kantoorgenote van mr. Blekman. Het Uwv was vertegenwoordigd door G.M.M. Diebels. II. OVERWEGINGEN 1.
  3. Appellant, op dat moment werkzaam als monteur gevelwerken gedurende 40 uur per week, is op 7 september 1995 uitgevallen wegens whiplashklachten tengevolge van een verkeersongeval in
  4. Na afloop van de wettelijke wachttijd is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Sinds 26 mei 2003 is de WAO-uitkering van appellant berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. In december 2003 is appellant opnieuw betrokken geraakt bij een verkeersongeval. 1.
  5. In het kader van een herbeoordeling ingevolge het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is appellant op 28 maart 2006 onderzocht door de arts M.M. Schuckman van het Uwv. In zijn rapport van dezelfde datum heeft Schuckman geconcludeerd dat appellant beperkt belastbaar is ten aanzien van het gebruik van de nek en de linkerarm. Vervolgens zijn de beperkingen weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 maart
  6. De arbeidsdeskundige heeft een aantal voor appellant geschikte functies geselecteerd en het hierdoor optredende verlies aan verdienvermogen berekend op 4,9%. Bij besluit van 4 oktober 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 5 december 2006 ingetrokken. 1.
  7. Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen dit besluit en zijn brieven van behandelend neurologen dr. P.H.E. Hilkens van 19 september 2006 en dr. Q.H. Leyten van 29 maart 2006 overgelegd. Bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans heeft na dossierstudie in zijn rapport van 8 januari 2007 geconcludeerd dat er geen medische redenen zijn om van het oordeel van de primaire arts af te wijken. De bezwaararbeidsdeskundige heeft enkele van de voor de schatting geselecteerde functies laten vervallen en geconcludeerd dat de resterende functies portier (sbc-code 342021), productiemedewerker metaal (sbc-code 111171) en conciërge (sbc-code 261010) onveranderd geschikt zijn te achten. Het verlies aan verdienvermogen is vervolgens berekend op 13,2%. Bij besluit van 19 februari 2007 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 oktober 2006 ongegrond verklaard. 2.
  8. Naar aanleiding van het tegen dat besluit ingestelde beroep bij de rechtbank heeft het Uwv na een heroverweging van de arbeidskundige aspecten, onder intrekking van het besluit van 19 februari 2007, een nieuw besluit op bezwaar van 15 november 2007 (hierna: bestreden besluit 2) genomen waarin het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 oktober 2006 gegrond wordt verklaard, dit besluit wordt herroepen en de WAO-uitkering per 5 december 2006 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij nader onderzoek door bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Eekhoudt werden de geduide functies niet langer passend geacht en zijn nieuwe functies geduid die in het verlengde liggen van de eerder geduide functies. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige in haar rapport van 15 november 2007 het verlies aan verdienvermogen berekend op 28,99%. 2.
  9. De rechtbank heeft het beroep van appellant op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede gericht geacht tegen bestreden besluit
  10. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 niet ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - samengevat - geoordeeld dat bestreden besluit 2 berust op een toereikende medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.
  11. Appellant heeft in hoger beroep – dat uitsluitend is gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen bestreden besluit 2 – aangevoerd dat met zijn klachten onvoldoende rekening is gehouden en dat het onduidelijk is waarom bij de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling minder beperkingen zijn aangenomen dan bij de vorige beoordeling in 2004, waarbij onder meer een urenbeperking was vastgesteld. Appellant heeft daarbij gesteld dat zijn klachten juist zijn toegenomen sinds de aanrijding in
  12. De geduide functies zijn niet passend voor appellant vanwege zijn verdergaande beperkingen en tevens vanwege de daarin gestelde opleidingseisen. 4.
  13. Evenals de rechtbank heeft de Raad in de gedingstukken geen redenen gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de voor appellant vastgestelde beperkingen. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de primaire arts zijn conclusies mede heeft gebaseerd op bij appellant verricht lichamelijk onderzoek en dat nadien de bezwaarverzekeringsarts bij zijn onderzoek informatie van de behandelend neurologen heeft betrokken. Op grond van zijn onderzoeksbevindingen heeft de primaire arts in de FML beperkingen vastgesteld voor de klachten van appellant aan de nek en de linker arm. De Raad is van oordeel dat uit de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen niet kan worden afgeleid dat met de klachten van appellant onvoldoende rekening is gehouden en dat sprake is van verdergaande beperkingen. De Raad heeft hierbij meegewogen dat de primaire arts bij appellant geen structureel verhoogde rustbehoefte overdag heeft vastgesteld en geen aanwijzingen heeft gevonden voor concentratie- en geheugenstoornissen. Nadien is door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 8 januari 2007 onder meer overwogen dat een preventieve noodzaak voor een urenbeperking ontbreekt en dat appellant geen behandeling of therapie op het psychische vlak krijgt, hetgeen impliceert dat er voor de cognitieve klachten geen ernstige diagnose of pathologie is. Naar aanleiding van het hoger beroep is door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 15 juli 2008 nader toegelicht dat er geen redenen zijn om een urenbeperking vast te stellen. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens ingediend die aanknopingspunten bevatten om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. De omstandigheid dat de (bezwaar)verzekeringsartsen in de onderhavige beoordeling minder beperkingen hebben vastgesteld dan bij de vorige verzekeringsgeneeskundige beoordeling in 2004, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. 4.
  14. De Raad is voorts van oordeel dat, gelet op de toelichting op de signaleringen in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Eekhoudt van 15 november 2007, de belasting van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies valt binnen de grenzen van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid. Ten aanzien van de vereiste mondelinge kennis van de Engelse taal in de functie conciërge is in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige aangegeven dat appellant beschikt over een LTS diploma inclusief Engels in het vakkenpakket, waardoor hij geacht kan worden aan de gestelde eis te voldoen. Desgevraagd is in dit verband ter zitting van de Raad door de gemachtigde van appellant opgemerkt dat hij het Engels beperkt beheerst. In het licht van al deze gegevens acht de Raad het voldoende aannemelijk dat appellant beschikt over de voor de functie van conciërge vereiste beperkte kennis van de Engelse taal. Voorts is ter zitting van de Raad door de gemachtigde van appellant aangevoerd dat de functie van portier, toezichthouder ongeschikt is omdat appellant geen Duits spreekt. De Raad overweegt hierover dat uit de functie-omschrijving en uit de functiebelasting blijkt dat in de functie van portier, toezichthouder sprake is van het geven van eerstelijns informatie, mogelijk in het Engels of in het Duits. Uit de arbeidsmogelijkhedenlijst blijkt voorts dat het spreken van de Duitse taal niet als eis wordt gesteld. Mede in verband hiermee acht de Raad het aannemelijk dat het spreken van de Duitse taal in deze functie slechts sporadisch en in beperkte mate zal voorkomen, zodat ook hierin geen reden is gelegen om de functie van portier, toezichthouder voor appellant ongeschikt te achten. 4.
  15. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
  16. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september
  17. (get.) J.W. Schuttel. (get.) J.M. Tason Avila. EK

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.