← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8777

07/6348 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te Marokko (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 oktober 2007, 05/4937 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 september 2009 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus

  1. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Aan appellant is bij besluit op bezwaar van 5 oktober 2000 op zorgvuldigheidsgronden een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend over de periode van 7 september 1991 tot 6 januari
  3. Voorts is bij dat besluit de WAO-uitkering van appellant met ingang van 6 januari 1997 beëindigd. 1.
  4. Appellant heeft tegen het besluit op bezwaar van 5 oktober 2000 beroep en hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 10 juni 2004, 01/5299, heeft de Raad geoordeeld dat niet is gebleken dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 6 januari 1997 op medische en arbeidskundige gronden geen stand kan houden. 1.
  5. Tijdens die procedure in hoger beroep heeft het Uwv bij besluit (lees: brief) van 10 juni 2003 wederom de WAO-uitkering van appellant met ingang van 6 januari 1997 beëindigd. Bij het bestreden besluit van 8 juli 2005 heeft het Uwv appellants bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2003 ongegrond verklaard.
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar van appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de brief van 10 juni 2003 gelet op de inhoud daarvan dient te worden aangemerkt als een herhaling van het besluit op bezwaar van 5 oktober
  7. De brief van 10 juni 2003 strekt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe een ander rechtsgevolg tot stand te brengen dan met het besluit op bezwaar van 5 oktober 2000 is beoogd en kan om die reden niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 3.
  8. De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Daaraan voegt de Raad nog toe, dat de beëindiging van de WAO-uitkering van appellant per 6 januari 1997 expliciet aan de orde is geweest in de eerdere procedures in beroep en in hoger beroep. Voor zover nog onduidelijkheid bestond over de beëindiging, is deze onduidelijkheid weggenomen door de uitspraak van de Raad van 10 juni
  9. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de brief van 10 juni 2003 een zuivere herhaling vormt van het besluit van 5 oktober
  10. 3.
  11. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
  12. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september
  13. (get.) T.L. de Vries. (get.) R.B.E. van Nimwegen. RB

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.