08/3551 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 19 mei 2008, 07/1396 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 30 september 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. G.J.A.M. Gloudie, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus
- Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Gloudi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker in 2-ploegendienst voor 40 uur per week. Op 17 februari 2003 heeft hij een myocardinfarct doorgemaakt waardoor een verminderde functie van het linkerventrikel is ontstaan. Nadat appellant een volledige uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) was toegekend, is de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van 13 september 2005 gesteld op 35 tot 45%. Appellant wordt in staat geacht om met zijn beperkingen de functies van huishoudelijk medewerker gebouwen, textielproductenmaker en productiemedewerker machinaal inpakken te kunnen verrichten. 1.
- Op 14 maart 2007 heeft appellant zich ziek gemeld wegens toegenomen klachten, omdat enkele maanden eerder bij hem de diagnose suikerziekte is gesteld. Nadat appellant door de verzekeringsarts is onderzocht is hem bij besluit van 11 juni 2007 meegedeeld dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen, hij mitsdien met ingang van 13 juni 2007 geschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid en met ingang van deze datum geen recht meer heeft op ziekengeld. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts heeft de bevindingen van de primaire verzekeringsarts herbeoordeeld en geconcludeerd dat de geneeskundige beoordeling zorgvuldig tot stand is gekomen en geen specifieke afwijkingen kunnen worden vastgesteld die aanleiding zouden geven tot beperkingen op basis waarvan appellant zijn werkzaamheden niet zou kunnen verrichten. Bij besluit van 7 augustus 2007 is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat voor een toename van beperkingen geen medische onderbouwing was gegeven waardoor de belastbaarheid van appellant onveranderd is gebleven en hij in staat moet worden geacht tenminste één van de hem destijds geduide functies te kunnen verrichten.
- In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat - kort gezegd - hij bekend is met hartklachten en psychische klachten en nu daarbij de klachten van zijn suikerziekte zijn gekomen, sprake is van een toename van klachten en beperkingen waardoor de functies die destijds voor hem geselecteerd waren niet meer passend geacht kunnen worden.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- Op grond van artikel 19 eerste lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt wanneer de verzekerde blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat onder “zijn arbeid” verstaan gangbare arbeid zoals nader geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering ingevolge de WAO in de vorm van een aantal geselecteerde functies. Daarbij is het voldoende wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. 4.
- De Raad ziet in de beschikbare medische informatie omtrent appellant onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsartsen. Hierbij heeft de Raad van belang geacht dat appellant tijdens het onderzoek van de primaire verzekeringsgeneeskundige op 11 juni 2007 desgevraagd heeft meegedeeld dat zijn klachten dezelfde zijn als van twee jaar geleden. Daarnaast blijkt de ernst van de suikerziekte mee te vallen aangezien appellant wordt behandeld met orale antidiabetica en anamnestisch geen sprake is van een ernstige ontregeling of secundaire complicaties. Ten slotte heeft appellant geen enkel medisch attest ingebracht om zijn standpunt te onderbouwen. 4.
- De Raad is dan ook van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft geoordeeld dat appellant op en na 13 juni 2007 de WAO-functies weer kan vervullen en terecht per die datum verdere uitkering van ziekengeld heeft geweigerd. Gelet hierop dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
- Tot slot acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september
- (get.) Ch. van Voorst. (get.) T.J. van der Torn. JL