← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9258

08/5896 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank `s-Gravenhage van 2 september 2008, 07/6838, (de aangevallen uitspraak) in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 2 oktober 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant stelde mr. G.Th.J. Bos, advocaat te Leiderdorp, hoger beroep in. Het Uwv voerde verweer. Het onderzoek ter zitting vond plaats op 21 augustus

  1. Namens appellant verscheen mr. Bos. Mr. M.J.F. Bär vertegenwoordigde het Uwv. II. OVERWEGINGEN
  2. Het beroep richt zich tegen het ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op 6 augustus 2007 door het Uwv bekend gemaakte besluit. Hierbij handhaaft het Uwv zijn besluit van 27 maart 2007, waarbij hij weigert om terug te komen van de weigering om appellant per 23 september 1997 een WAO-uitkering toe te kennen.
  3. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. 3.
  4. Met een besluit van 29 april 2003 weigerde het Uwv om appellant een WAO-uitkering toe te kennen per 23 september
  5. Dit besluit staat in rechte vast. 3.
  6. Op 27 september 2004 vroeg appellant om terug te komen van het besluit van 29 april 2003 en hem alsnog een WAO-uitkering toe te kennen met ingang van 23 september
  7. Dit verzoek ondersteunt hij met verklaringen van 10 juni 2004 en 11 juli 2007 van de hem behandelende psychiater R.W. Jessurun. 3.
  8. De bezwaarverzekeringsarts rapporteert op 3 augustus 2007 onder meer: “Voor wat betreft de gegevens van psychiater Jessurun, wordt aangegeven dat er sprake is van een chronische desintegratietoestand, waarbij het opvallend is dat in de brief van 2004 over een recidiverende psychotische (de Raad begrijpt:) ontaarding met wisselend beloop wordt gesproken hetgeen ook blijkt uit de informatie van de psycholoog uit 2003 waarin wordt aangegeven dat het een periode veel beter is gegaan met betrokkene en zelfs de medicatie kon worden gestopt. De huisarts geeft in 2002 aan dat de situatie zoals door Onstein beschreven min of meer gelijk is. Gezien het feit dat psychiater Onstein in 1996 aangeeft dat belanghebbende, ondanks de aanwezige klachten gewoon heeft kunnen werken, is aan te nemen dat de beperkingen in de belastbaarheid op dit punt destijds niet erg zwaar zijn geweest. Ik ben van mening dat er dan ook geen reden is om terug te komen op het eerdere oordeel. Er is geen sprake van nieuwe medische feiten of omstandigheden betreffende de datum in geding.”
  9. In hoger beroep herhaalt appellant dat hij in bewijsnood komt, doordat er in juli 2002 geen recente medische informatie voorhanden was over de periode 1997 tot
  10. Deze beroepsgrond mist niet alleen feitelijke grondslag, maar kan appellant ook overigens niet baten. De rechtbank overweegt met juistheid dat de informatie van Jessurun weliswaar nieuw is, maar geen nieuw feit of een veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht bevat. De Raad kan zich volledig met de aangevallen uitspraak verenigen. Het hoger beroep slaagt dus niet. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober
  11. (get.) R.C. Stam. (get.) I.R.A. van Raaij. TM

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.