07/5633 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 27 augustus 2007, 06/1225 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 16 oktober 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij De Fiscount Adviesgroep BV te Zwolle, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2009. Voor appellant verscheen zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.H.A. ter Laak. II. OVERWEGINGEN 1. Het beroep richt zich tegen het besluit van 21 september 2006 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Daarbij handhaaft het Uwv de verlaging van de WAO-uitkering van appellant per 17 mei 2006 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. 2. De rechtbank oordeelde dat het besluit van 21 september 2006 een voldoende deugdelijke medische grondslag heeft en dat afdoende is gemotiveerd dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem geschikt zijn. Omdat het Uwv pas in beroep heeft voldaan aan alle uit de rechtspraak van de Raad voortvloeiende eisen voor een juist gebruik van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) ter motivering van dat besluit, heeft de rechtbank het besluit van 21 september 2006 vernietigd maar bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit geheel in stand blijven. 3. In hoger beroep heeft appellant mede onder verwijzing naar de stellingen die hij in bezwaar en beroep betrok, zowel de medische als de arbeidskundige kant van de schatting opnieuw ter discussie gesteld. 4. De Raad overweegt het volgende. 4.1.1. Appellant heeft betoogd dat geen voldoende zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden, omdat uit de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen niet blijkt dat het onderzoek gericht is geweest op alle klachten en beperkingen die appellant heeft vermeld op het vragenformulier, dat hij voorafgaande aan de herbeoordeling op 24 oktober 2005 heeft ingevuld, en omdat geen informatie werd verkregen van de huisarts van appellant. 4.1.2. De Raad volgt appellant niet in dit betoog. De rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen laten zien dat een deugdelijk onderzoek werd verricht naar de mogelijkheden en beperkingen van appellant om in arbeid te functioneren. Beide artsen komen in hun rapportages tot een onderbouwde conclusie. Het door appellant ingevulde vragenformulier is voor de verzekeringsarts een hulpmiddel bij zijn onderzoek. De Raad heeft geen aanwijzingen dat de verzekeringsarts gebruik van dit hulpmiddel achterwege heeft gelaten en om die reden geen volledig beeld heeft gekregen van de klachten van appellant. Een uitgebreide anamnese maakt deel uit van zijn rapportage. De bezwaarverzekeringsarts heeft na de hoorzitting, die door appellant niet werd bijgewoond “omdat hij daar de noodzaak niet van inzag”, tweemaal een brief gezonden aan de huisarts van appellant met het verzoek hem te informeren over mogelijk gestelde diagnosen ten aanzien van een aantal door appellant in bezwaar genoemde klachten, die de verzekeringsarts niet naar objectieve afwijkingen heeft kunnen herleiden. De bezwaarverzekeringsarts heeft terecht gemeend bij het uitblijven van een antwoord van de huisarts zijn herbeoordeling te kunnen baseren op de in het dossier voorhanden medische gegevens. 4.2.1. De verzekeringsarts heeft, zoals blijkt uit zijn rapportage en de door hem opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), een urenbeperking van ongeveer 8 uur per dag en ongeveer 40 uur per week noodzakelijk geacht. Appellant heeft het standpunt betrokken dat de omvang van de urenbeperking onvoldoende is gemotiveerd, omdat niet blijkt dat bij de bepaling van die omvang aandacht is besteed aan de omvang van de werkzaamheden die appellant ten tijde van de beoordeling verrichtte in zijn eigen bedrijf. 4.2.2. De Raad stelt vast dat de verzekeringsarts met de omvang van de werkzaamheden van appellant ten tijde van zijn onderzoek – 2 tot 4 uur per dag – bekend was. De verzekeringsarts heeft, zoals blijkt uit zijn rapportage, bij zijn oordeelsvorming over de aan te nemen urenbeperking ook de aard van die – in zijn visie niet passende – werkzaamheden betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft de omvang van de urenbeperking nader beschouwd en in zijn rapportage uitvoerig uiteengezet waarom de in de FML opgenomen urenbeperking volstaat. Naar het oordeel van de Raad is de urenbeperking voldoende onderbouwd. Voor de door appellant gewenste verdergaande urenbeperking biedt de beschikbare medische informatie geen grond. 4.3.1. Appellant heeft gesteld dat het enkele feit dat de belasting in verschillende functies, die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, op enkele onderdelen de normaalwaarden met meer dan 10% overschrijdt, tot het oordeel moet leiden dat die functies voor appellant niet geschikt zijn. 4.3.2. In zijn uitspraken van 9 november 2004 (onder andere LJN AR4716), 12 oktober 2006 (LJN AY9971), 23 februari 2007 (LJN AZ9153), 1 februari 2009 (LJN BC3237), 5 december 2008 (LJN BG5758) en 5 juni 2009 (LJN BI6812) heeft de Raad geoordeeld dat het CBBS als ondersteunend systeem, zoals dat inmiddels is aangepast, voldoet aan de eisen die daaraan gesteld worden, zodat een met behulp van dat systeem genomen besluit in beginsel een toereikend niveau heeft van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid. Als in een functie een belasting wordt gevraagd die meer bedraagt dan de normaalwaarde, wordt dit door het systeem onderkend en gesignaleerd, waarmee wordt bereikt dat voor alle betrokkenen – de verzekerde zelf, zijn rechtshulpverlener en de rechter – op betrekkelijk eenvoudige wijze kenbaar is dat een gemotiveerde toelichting, onder omstandigheden als resultaat van voorafgaand overleg tussen arbeidsdeskundige en verzekeringsarts, noodzakelijk is ter onderbouwing van de geschiktheid van de betreffende functie. De Raad heeft vastgesteld dat de exacte bepaling van de hoogte van de normaalwaarden niet van belang is, zodat de noodzaak ontbreekt voor een nadere onderbouwing van de wijze van bepaling van die normaalwaarden. 4.3.3. Indien in een functie op één of meer onderdelen sprake is van een belasting die de normaalwaarde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.