09/982 WAO + 09/2179 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 januari 2008, 07/2453 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 21 oktober 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nieuwe beslissing op bezwaar, gedateerd 16 april 2009, ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kramer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael. II. OVERWEGINGEN 1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. 1.2. Bij besluit van 17 augustus 2006 is appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 18 oktober 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. 1.3. Bij besluit van 27 juli 2007 heeft het Uwv – beslissend op bezwaar – zijn besluit van 17 augustus 2006 gehandhaafd en voorts de WAO-uitkering van appellant per (de toekomende datum van) 1 oktober 2007 ingetrokken. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank heeft, met verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad terzake, voorop gesteld dat het onder omstandigheden toelaatbaar kan worden geacht wanneer een betrokkene in de bezwaarschriftprocedure in een nadeliger positie komt te verkeren dan voor het instellen van bezwaar. Het Uwv is, op grond van de artikelen 36 en 42 van de WAO, verplicht over te gaan tot herziening van een WAO-uitkering indien de mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen. Hieruit volgt dat aan deze verplichting, in het geval van de bezwaarprocedure, buiten de gronden van het bezwaar om, vorm kan worden gegeven via de in die procedure te nemen beslissing op bezwaar. Daarbij is van belang dat de betrokkene in de bezwaarprocedure in de gelegenheid wordt gesteld te reageren op het nader door het uitvoeringsorgaan ingenomen standpunt, zodat hij niet op ontoelaatbare wijze is beperkt in zijn verweermogelijkheden. De rechtbank heeft vastgesteld dat in het onderhavige geval is verzuimd appellant in de gelegenheid te stellen de hiervoor bedoelde reactie te geven. Hierin heeft de rechtbank grond gevonden voor vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig te achten en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten. Zij achtte wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft evenwel onvoldoende gemotiveerd dat appellant voldoet aan de gestelde opleidingseisen in de hem voorgehouden functies. De rechtbank achtte het bestreden besluit genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. In hoger beroep heeft appellant aangegeven zich niet te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank. Hij is het niet eens met de medische beoordeling en meent voorts dat hij de geduide functies niet kan uitvoeren. Appellant meent daarom dat hij per 18 oktober 2006 onverminderd aanspraak kan maken op een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 4. Het Uwv heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak het in rubriek I genoemde besluit van 16 april 2009 genomen. In het aan dat besluit ten grondslag liggende rapport van 25 maart 2009 heeft de bezwaararbeidsdeskundige B. Evegaars een aantal functies laten vervallen, omdat voor die functies een te hoog opleidingsniveau was vereist, waarna de functies inpakker, handmatig (SBC-code 111190), huishoudelijk medewerker (SBC-code 111333) en huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) resteren. 5.1. Oordeel van de Raad. 5.2. Aangezien het hiervoor weergegeven besluit van 16 april 2009, dat het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen, aan het beroep niet tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit. 5.3. Met betrekking tot het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, oordeelt de Raad als volgt. 5.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. De Raad schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. Appellant heeft in hoger beroep geen objectieve medische gegevens ingebracht die zijn stelling ondersteunen dat aanleiding bestaat voor het aannemen van verdergaande beperkingen, waaronder een urenbeperking. De Raad acht bij het voorgaande nog van belang dat de verzekeringsartsen kennis hebben genomen van de omtrent appellant uit de behandelende sector (zenuwarts) beschikbare gegevens. Het is de Raad niet gebleken dat met die gegevens niet of onvoldoende zou zijn rekening gehouden. Anders dan appellant veronderstelt heeft de bezwaarverzekeringsarts overigens gemotiveerd waarom er is afgeweken van de bij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.