08/5796 WUBO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante] (hierna: appellante), en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 29 oktober 2009 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 4 september 2008, kenmerk BZ 8427, JZ/F60/2008, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september
- Daar is appellante niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A, Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellante, geboren in 1942, heeft in november 2007 bij verweerster een aanvraag ingediend om op grond van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering. In dat verband heeft appellante naar voren gebracht dat zij als kind van twee Joodse ouders heeft geleden onder de Duitse bezetting. 1.
- Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 10 april 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet is komen vast te staan dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wet.
- De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden en overweegt daartoe als volgt. 2.
- In artikel 2, eerste lid, van de Wet is bepaald dat - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer wordt verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen ten gevolge van met de krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden, dan wel ten gevolge van handelingen of maatregelen welke door of namens de vijandelijke bezettende macht tegen hem werden gericht of ten gevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door of namens de vijandelijke bezettende macht. 2.
- De Raad stelt voorop dat voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer primair de voorwaarde geldt dat de aanvrager direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld in de zin van de Wet voordat verweerster aan een beoordeling van de door de aanvrager gemelde gezondheidsklachten kan toekomen. 2.
- Op grond van de voorhanden gegevens, waaronder met name het de aanvraag begeleidend sociaal rapport, heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van artikel 2 van de Wet. Hierbij wordt opgemerkt dat, anders dan appellante lijkt te veronderstellen, een Joodse afkomst er niet toe kan leiden dat om die reden al rechten aan de Wet kunnen worden ontleend. Erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is gebonden aan individuele, directe, betrokkenheid bij de in die wet omschreven specifieke gebeurtenissen.
- Gezien het voorgaande wordt de onder 2 geformuleerde vraag bevestigend beantwoord, zodat het beroep van appellante ongegrond dient te worden verklaard.
- De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober
- (get.) G.L.M.J. Stevens. (get.) M. Lammerse. HD