← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2009:BK2860

09/2504 WWB 09/2505 WWB 09/3043 WWB 09/3044 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant) en [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 maart 2009, 08/8951, 09/877 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellanten en het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Dienst De Rijnstreek (hierna: gedaagde) Datum uitspraak: 3 november 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr. J. Wolfert-Brouwer, advocaat te Alphen aan den Rijn, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Bij brief van 23 juni 2009 heeft mr. Wolfert-Brouwer namens appellanten het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht gedaagde te veroordelen in de proceskosten. Gedaagde heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten. II. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. De Raad stelt vast dat het hoger beroep is ingetrokken omdat gedaagde bij nader besluit van 18 mei 2009 gedeeltelijk aan de bezwaren van appellanten tegemoet is gekomen. Appellanten stellen zich op het standpunt dat voormelde beschikking bekend is gemaakt na het verstrijken van de hoger beroepstermijn. Gedaagde geeft als verweer aan dat het verzoek om proceskostenvergoeding zoals het heden voorligt onvolledig en ontoereikend is. Appellanten hebben voor zowel beroep als hoger beroep een verzoek om vergoeding van de kosten gedaan zonder dat uitspraak wordt gedaan omtrent de hoogte van de verzochte vergoeding. Gedaagde geeft voorts aan dat zij bij de aangevallen uitspraak is veroordeeld tot een vergoeding van de door appellant gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 966,--, terwijl beide appellanten beroep hebben ingesteld en alleen voor appellante een toevoeging was afgegeven. De Raad ziet aanleiding om gedaagde te veroordelen in de kosten die appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. De proceskosten worden, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 322,-- in hoger beroep. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Veroordeelt gedaagde in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 322,--, te betalen door het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst De Rijnstreek aan de griffier van de Raad. Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van P.A.M. Hulsdouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2009. (get.) J.J.A. Kooijman. (get.) P.A.M. Hulsdouw. mm

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.