07/5518 AKW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], die domicilie heeft gekozen te ’s-Gravenhage (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 augustus 2007, 06/7755 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb). Datum uitspraak: 12 november 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.M. Linares Fandino, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2009. Appellante is aldaar niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind. II. OVERWEGINGEN 1.1. Bij beschikking van 15 december 2005 is aan appellante met ingang van 9 november 2001 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ‘regulier’ verleend die geldig is tot 9 november 2006. Vervolgens heeft appellante bij formulier van 23 maart 2006 op grond van de Algemene kinderbijslagwet (AKW) kinderbijslag aangevraagd ten behoeve van haar dochter Cherry (geboren [in] 1993) en haar dochter Lida (geboren [in] 1999). Deze aanvraag is door de Svb met ingang van het eerste kwartaal van 2006 gehonoreerd. 1.2. Bij besluit van 25 augustus 2006 (hierna: besluit op bezwaar) heeft de Svb de bezwaren van appellante tegen de weigering om haar met ingang van een eerder tijdvak dan het eerste kwartaal van 2006 kinderbijslag toe te kennen ongegrond verklaard. Overwogen is daartoe dat appellante ten tijde van belang nog niet verzekerd was overeenkomstig de bepalingen van de AKW. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond verklaard. 3.1. In hoger beroep heeft appellante zich opnieuw op het standpunt gesteld dat de Svb haar ten onrechte geen kinderbijslag heeft toegekend over tijdvakken voorafgaande aan het eerste kwartaal van 2006. Daartoe is in hoofdzaak aangevoerd dat - kort weergegeven - appellante ten tijde van belang wel degelijk verzekerd was, aangezien het middelpunt van haar maatschappelijk leven in Nederland lag en zij dus moet worden aangemerkt als ingezetene. In dit verband heeft appellante erop gewezen dat zij al vijf jaar beschikte over zelfstandige woonruimte in Nederland, dat haar jongste dochter in Nederland is geboren en dat haar kinderen allebei in Nederland naar school gaan. Verder heeft appellante aangevoerd dat er sprake is van een bijzonder geval en dat de Svb niet in redelijkheid kan weigeren om af te wijken van de regel dat het recht op kinderbijslag niet vroeger in kan gaan dan één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag van kinderbijslag is ingediend. 3.2. De Svb heeft in essentie de aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegde motivering herhaald. 4.1. De Raad overweegt als volgt. 4.2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de wet degene die:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.