08/4411 WAO en 08/5397 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 juni 2008, 07/4950 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 2 december 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een besluit, gedateerd 3 september 2008, overgelegd, welk besluit is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, en verweer gevoerd tegen hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd. Vervolgens is namens appellant nadere medische informatie overgelegd en zijn de gronden van het hoger beroep aangevuld. Van de zijde van het Uwv heeft een bezwaarverzekeringsarts gereageerd op de namens appellant overgelegde medische informatie. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober
- Appellant is in persoon verschenen, vergezeld en bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Madern en A. Sezinbil als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als grondwerker/kabellegger. Op 6 december 1996 is hij uitgevallen wegens klachten aan zijn linker bovenarm na een ongeval op het werk. Met ingang van 5 december 1997 is aan hem een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.
- In 2007 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant herbeoordeeld. Op basis van de bevindingen en conclusies van een medisch en een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 25 juni 2007 de WAO-uitkering van appellant ingetrokken per 22 augustus 2007 omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van die datum is afgenomen naar minder dan 15%. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In het kader van de bezwaarschriftprocedure is appellant gehoord en hebben bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink en bezwaararbeidsdeskundige M.A. Oudenaller gerapporteerd op respectievelijk 26 oktober 2007 en 12 november
- Bij besluit van 15 november 2007 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 15 november 2007 (hierna: bestreden besluit) gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar zal nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft daartoe - kort weergegeven - overwogen dat zij in hetgeen door appellant in beroep naar voren is gebracht geen aanleiding ziet om het medisch oordeel van het Uwv voor onjuist te houden. Met name heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om mee te gaan met de stelling van appellant dat hij meer beperkingen heeft dan die welke door de bezwaarverzekeringsarts De Vink in de in de bezwaarschriftprocedure aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zijn neergelegd. Voorts heeft de rechtbank overwogen geen grond te zien om aan de –volgens appellant te kritische- opmerkingen van de verzekeringsarts over de behandelend psychiater A. Lisei gevolgen te verbinden, nu de bezwaarverzekeringsarts tijdens de bezwaarschriftprocedure van die opmerkingen afstand heeft genomen en de bevindingen van psychiater Lisei, als neergelegd in haar verklaring van 25 mei 2007, in zijn oordeelsvorming heeft betrokken. Wat de geschiktheid in medisch opzicht van de aan appellant voorgehouden functies betreft, heeft de rechtbank overwogen dat er een zogenoemde ‘verborgen beperking’ is opgenomen in de FML die niet naar behoren is toegelicht door de bezwaararbeidsdeskundige en dat ook enkele signaleringen bij de belasting van de voorgehouden functies niet door de bezwaararbeidsdeskundige zijn toegelicht, zodat de motivering op dit punt onvoldoende is en in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- In hoger beroep heeft appellant gesteld zich niet te kunnen vinden in de aangevallen uitspraak voor zover daarin het oordeel is neergelegd dat er geen aanknopingspunten zijn om het medisch oordeel van het Uwv voor onjuist te houden. Appellant heeft in hoger beroep wederom aangevoerd dat met de in de bezwaarschriftprocedure aangepaste FML nog steeds in onvoldoende mate recht wordt gedaan aan zijn lichamelijke en psychische klachten. Dit geldt zowel voor de ernstige klachten aan zijn linker arm, waardoor hij niet boven schouderhoogte kan werken, als voor zijn psychische klachten, waarvan - zoals blijkt uit de verklaring van psychiater Lisei - de intensiteit het laatste halfjaar (derhalve vanaf eind 2006) is toegenomen. Appellant heeft de Raad verzocht om een psychiater te benoemen als deskundige om over zijn psychische situatie een onafhankelijk rapport uit te brengen.
- Het Uwv heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat, gelet op de voorhanden zijnde medische gegevens, de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om het medisch oordeel, als neergelegd in het bestreden besluit, voor onjuist te houden. Wat het in hoger beroep overgelegde besluit van 3 september 2008 betreft, heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 juni 2007 opnieuw ongegrond verklaard op basis van een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige H.N.M. van Rhee van 29 juli
- Hierin is met betrekking tot de aan appellant voorgehouden functies geconcludeerd dat die functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.
- De Raad oordeelt als volgt. 5.
- Bij besluit van 3 september 2008 is door het Uwv uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak. Met dit besluit wordt niet aan het beroep van appellant tegemoet gekomen. Met (overeenkomstige) toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, zal de Raad bij de behandeling van dit geding tevens een oordeel geven over het besluit van 3 september
- Eerst zal de Raad evenwel een oordeel geven over het tegen de aangevallen uitspraak ingestelde hoger beroep. 5.
- Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit, wat de medische grondslag betreft, kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde bevindingen en conclusies van bezwaarverzekeringsarts De Vink. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit. Hij wijst met name nog op het volgende. Bezwaarverzekeringsarts De Vink heeft de door appellant aangegeven klachten, voortvloeiende uit de doorgemaakte bicepsruptuur links, de chronische depressieve klachten en spanningsklachten expliciet in zijn beschouwing betrokken en heeft deze klachten verwoord in de door hem in de bezwaarfase aangepaste FML. In hetgeen door appellant naar voren is gebracht, alsmede in de door hem overgelegde medische gegevens, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat deze FML de beperkingen van appellant op fysiek en psychisch vlak onjuist zou weergeven. Er is voor de Raad in verband daarmee geen aanleiding om alsnog, zoals door appellant is verzocht, een deskundige te benoemen voor het verrichten van nader onderzoek. 5.
- Het hoger beroep van appellant, gericht tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit, treft derhalve geen doel, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd. 5.
- Met het besluit van 3 september 2008 heeft het Uwv uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is geoordeeld dat onvoldoende is onderbouwd dat de aan de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten grondslag gelegde functies ook in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn te achten. Gebaseerd op de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige Van Rhee van 29 juli 2008 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2007 wederom ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar zijn oordeel over de medische grondslag onder 5.2, acht de Raad met de terzake gegeven motivering in laatstgenoemde rapportage genoegzaam toegelicht dat de ten aanzien van appellant geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn, in die zin dat de belasting in die functies de belastbaarheid van appellant niet te boven gaat. Het beroep tegen het besluit van 3 september 2008 dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
- Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten; Verklaart het beroep tegen het besluit van 3 september 2008 ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december
- (get.) H. Bolt. (get.) I.R.A. van Raaij. IvR