09/301 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 december 2008, 08/3407 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 2 december 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. C.J. van Woerden, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Mr. Van Woerden heeft op het verweerschrift gereageerd en de gronden van het hoger beroep aangevuld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober
- Mr. Van Woerden is verschenen voor appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellante is op 24 november 1995 met psychische klachten uitgevallen voor haar werkzaamheden als medewerkster afdeling ondersteuning. Aan haar is vervolgens met ingang van 29 november 1996 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Sinds 1999 heeft appellante daarnaast pijn- en slikklachten ten gevolge van een zeldzame huidziekte/aandoening aan de mondholte. 1.
- In januari 2007 is appellante - in het kader van een herbeoordeling - gezien door een verzekeringsarts, die op basis van de bevindingen van het eigen onderzoek en verkregen informatie van R.W. Jessurun, de behandelend psychiater, heeft overwogen dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden om aan te nemen dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid heeft, zodat een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) dient te worden opgesteld. In de door deze arts opgestelde FML zijn beperkingen op psychisch gebied aangenomen en beperkingen ten aanzien van zware fysieke en energetische belasting. Uit vervolgens verricht arbeidskundig onderzoek is gebleken dat appellante met haar beperkingen nog in staat moet worden geacht tot het vervullen van bepaalde, aan appellante voorgehouden, functies en dat met die functies een zodanig inkomen kan worden verworven dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante moet worden gesteld op ruim 38%. Op basis van deze bevindingen en conclusies heeft het Uwv bij besluit van 29 mei 2007 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 30 juli 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. 1.
- Appellante heeft tegen het besluit van 29 mei 2007 bezwaar gemaakt en daarbij onder meer een verklaring van haar psychiater Jessurun overgelegd. Bezwaarverzekeringsarts A. Mirza heeft van de behandelend arts J.P.R. van Merkesteyn, mondziekten en kaakchirurgie, informatie verkregen en heeft door mr. drs. C. Groenendijk, psychiater, een expertise laten verrichten. Op basis van het eigen onderzoek, de verkregen informatie van de behandelend artsen en de rapportage van de door haar geraadpleegde psychiater Groenendijk heeft de bezwaarverzekeringsarts de ten aanzien van appellante opgestelde FML aangescherpt wat de rubrieken persoonlijk functioneren en sociaal functioneren betreft. Een bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens geconcludeerd dat de belasting in de aan appellante voorgehouden functies blijft binnen de in de aangepaste FML neergelegde belastbaarheid en dat de eerder vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45% onverminderd van toepassing is. Bij besluit van 15 april 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
- Appellante heeft tegen het besluit van 15 april 2008 (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat zij geen aanleiding zag het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. De omstandigheid dat de door het Uwv geraadpleegde psychiater geen contact heeft opgenomen, dan wel overleg heeft gevoerd met de behandelend psychiater achtte de rechtbank, gelet op het feit dat de informatie van de behandelend psychiater door psychiater Groenendijk bij haar onderzoek is betrokken, niet onzorgvuldig. Ook zag de rechtbank, gelet op de voorhanden zijnde medische informatie, geen grond aanwezig om het medisch oordeel onjuist te achten. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat afdoende is gemotiveerd dat de functies die aan appellante waren voorgehouden voor appellante in medisch opzicht geschikt zijn.
- In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat in de bezwaarfase ten onrechte geen contact is opgenomen met haar behandelend psychiater. Appellante acht dit onzorgvuldig en niet in overeenstemming met de jurisprudentie van de Raad over het volgen van de bevindingen en conclusies van een door de bestuursrechter geraadpleegde deskundige, zoals onder meer neergelegd in de uitspraak van de Raad van 22 oktober 2002, LJN AF
- Voorts heeft appellante wederom aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat en dat ten onrechte, gelet op haar energetische klachten, geen zogenoemde urenbeperking is aangenomen.
- Het Uwv heeft zich in zijn verweerschrift gesteld achter het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak. Het Uwv heeft daarbij aangegeven dat de door hem geraadpleegde psychiater wel degelijk kennis heeft genomen van de informatie van de behandelend psychiater en dat er geen aanleiding is tot het aannemen van meer beperkingen of een urenbeperking. 5.
- Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij overweegt daartoe het volgende. 5.
- Met de rechtbank en grotendeels op de door de rechtbank ter zake gegeven overwegingen in de aangevallen uitspraak is de Raad van oordeel dat niet kan worden meegegaan met de stelling van appellante dat het bestreden besluit, wat de medische grondslag ervan betreft, onzorgvuldig tot stand is gekomen. In bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts Mirza aanleiding gezien om psychiater Groenendijk te raadplegen en zij heeft vervolgens de bevindingen en conclusies van die psychiater ten grondslag gelegd aan haar rapportage en de FML aangepast. Zij heeft daarbij de bevindingen en conclusies van psychiater Groenendijk getoetst aan de voorhanden zijnde medische informatie en aan de bevindingen en conclusies van de primaire verzekeringsarts en van haarzelf. Daarmee acht de Raad het bestreden besluit, wat de medische grondslag betreft, zorgvuldig tot stand gekomen. De jurisprudentie van de Raad waaraan appellante ontleent dat psychiater Groenendijk contact had dienen op te nemen met de behandelend psychiater, ziet op een andere dan de zich hier voordoende situatie dat het Uwv ten behoeve van een zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit een expertise laat verrichten door een niet bij de zaak betrokken psychiater. Die situatie kan niet op één lijn worden gesteld met de situatie die in die jurisprudentie aan de orde is, namelijk dat een bestuursrechter een deskundige benoemt om hem te dienen van verslag en advies. Voorts kan de Raad zich stellen achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak waarin de stelling van appellante dat ten aanzien van haar verdergaande beperkingen moeten worden aangenomen, wordt weerlegd. Ook de Raad ziet, nu met het aannemen van de in de FML neergelegde beperkingen is tegemoet gekomen aan onder meer de energetische klachten van appellante, onvoldoende grond om aan te nemen, zoals door appellante is betoogd, dat er ten onrechte geen urenbeperking is gesteld. Tot slot ziet de Raad in de voorhanden zijnde informatie genoegzaam steun voor het oordeel dat de aan appellante voorgehouden functies, gelet op de in die functies voorkomende belasting enerzijds en de ten aanzien van appellante aangenomen belastbaarheid voor arbeid als neergelegd in de in bezwaar aangepaste FML anderzijds, voor appellante geschikt zijn. 5.
- Op grond van hetgeen hij heeft overwogen onder 5.2 is de Raad van oordeel dat het hoger beroep van appellante geen doel treft, zodat moet worden beslist als hieronder is vermeld.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december
- (get.) H. Bolt. (get.) I.R.A. van Raaij. IvR