09/4418 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant) tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 30 juni 2009, 08/7485 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Stichting [naam stichting], gevestigd te [vestigingsplaats]. Datum uitspraak: 2 december 2009 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. II. OVERWEGINGEN In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden. Bij brief van 27 augustus 2009 is appellant in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Appellant heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan. Bij aangetekend verzonden brief van 28 september 2009 is aan appellant nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep kan leiden. Appellant heeft binnen de in de brief van 28 september 2009 gestelde termijn, welke eindigde op 26 oktober 2009, geen beroepsgronden ingediend. Pas op 28 oktober 2009 heeft de Raad een brief d.d. 27 oktober 2009 van appellant, bevattende de gronden waarop het hoger beroep berust, ontvangen. Nu niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim, acht de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist. Nu de aangevallen uitspraak in stand blijft, dient van appellant een griffierecht van € 433,- te worden geheven. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 433,- wordt geheven. Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter, en T. Hoogenboom en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van C. Tersteeg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009. (get.) H. Bolt. (get.) C. Tersteeg. Tegen deze uitspraak kunnen partijen en (andere) belanghebbenden binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord. TM
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.