← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5215

09/2682 WAJONG Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2009, 08/271 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 2 december 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Mr. Van Berkel heeft desgevraagd nog een stuk aan de Raad toegezonden waarop door het Uwv is gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober

  1. Namens appellante is mr. Van Berkel verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante, geboren [in] 1977, heeft op 15 januari 2007 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij vanaf 20 april 2004 arbeidsongeschikt is in verband met klachten, voortvloeiende uit extreem overgewicht en psychische klachten. Het Uwv heeft bij besluit van 2 februari 2007 geweigerd aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen omdat zij niet als jonggehandicapte in de zin van de Wajong wordt beschouwd. 1.
  3. Na hiertegen door appellante gemaakt bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar op basis van de beschikbare medische informatie vastgesteld dat appellante op en na de dag waarop zij zeventien jaar werd onafgebroken beperkt belastbaar is geweest en dat nog steeds is. Ebbelaar meent dan ook dat alsnog 2 juni 1994 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden aangemerkt. Zij heeft de beperkingen die voor appellante golden op deze datum opgenomen in een belastbaarheidspatroon. 1.
  4. Uitgaande van 2 juni 1994 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft het Uwv bij besluit van 6 december 2007 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Ter onderbouwing daarvan is onder meer verwezen naar het rapport van bezwaararbeidsdeskundige M.F. van der Kleij van 30 november
  5. Uit dit rapport volgt dat hij functies heeft geselecteerd die op 2 juni 1995 (na afloop van de wettelijke wachttijd van één jaar) in voldoende mate op de arbeidsmarkt voorkwamen en die, zoals is bevestigd door Ebbelaar, door appellante zouden kunnen zijn verricht, in aanmerking nemende haar beperkingen zoals deze zijn vermeld in het belastbaarheidspatroon. Uitgaande van deze functies voldoet appellante niet aan het vereiste dat zij tenminste 25% arbeidsongeschikt was op 2 juni
  6. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het besluit van 6 december 2007 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen zich te kunnen verenigen met de medische grondslag van dit besluit.
  7. In hoger beroep stelt appellante dat ten onrechte is geconcludeerd dat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij op 2 juni 1995 meer beperkingen had dan door het Uwv is aangenomen en dat zij op deze datum niet in staat was om de functies te vervullen die ten grondslag zijn gelegd aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Voorts stelt appellante in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de door haar aangevoerde grond dat het Uwv niet heeft aangetoond dat die functies op 2 juni 1995 al bestonden.
  8. De Raad overweegt het volgende. 4.
  9. Appellante heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar beroepsgrond dat het Uwv niet heeft aangetoond dat functies op 2 juni 1995 bestonden. De Raad stelt met appellante vast dat de rechtbank genoemde beroepsgrond onbesproken heeft gelaten. De in hoger beroep aangevoerde grond treft derhalve doel. In de fase van het hoger beroep heeft het Uwv met een rapport van bezwaararbeidsdeskundige E.F. Couvreur nader onderbouwd dat de functies op 2 juni 1995 in voldoende mate in het zogenoemde functie-informatiesysteem voorkwamen. De gemachtigde van appellante heeft ter zitting meegedeeld dat hij, gelet op de inhoud van dat rapport, niet langer zijn standpunt handhaaft inhoudende dat de functies om die reden niet gehanteerd hadden mogen worden. 4.
  10. Naar het oordeel van de Raad heeft bezwaarverzekeringsarts Ebbelaar een zorgvuldig eigen medisch onderzoek verricht naar de fysieke en psychische klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende functionele beperkingen waarvan aannemelijk is dat deze op 2 juni 1994 aanwezig waren. Bij dit onderzoek is niet gebleken dat op of kort na deze datum verdergaande beperkingen, zoals appellante meent, aanwezig waren vanwege astma. In de beroepsfase heeft appellante een kopie van het huisartsendossier over de periode januari 2003 tot en met mei 2008 overgelegd, maar dit bevat volgens Ebbelaar geen relevante informatie die in een andere richting wijst. Ook oordeelt Ebbelaar, anders dan appellante, dat de medische informatie geen aanleiding geeft verdergaande beperkingen, zoals voor zitten en persoonlijk functioneren, aan te nemen. De Raad kan, gelet op de aanwezige gegevens, niet tot de conclusie komen dat Ebbelaar hiermee tot een onjuist oordeel is gekomen. Ook de informatie van appellantes huisarts D.V. Scheepers van 26 mei 2008 die nadien is toegezonden bevat daartoe geen relevante informatie. 4.
  11. Voorts is de Raad van oordeel dat de geschiktheid van de in aanmerking genomen functies per 2 juni 1995 (samensteller geluidsapparatuur, confectienaaister en lederwarenmaker en als reservefuncties wikkelaar en samensteller sieraden) in medisch opzicht in de bezwaarfase voldoende mate is aangetoond, mede in aanmerking genomen wat daarover in de zogenoemde verwoordingen functiebelasting is vermeld. 4.
  12. De Raad komt tot de slotsom dat het bestreden besluit in stand kan blijven. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  13. De Raad acht evenwel, gelet op hetgeen onder 4.1 is vermeld, termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak; Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-; Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december
  14. (get.) H. Bolt. (get.) I.R.A. van Raaij. EF

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.