07/2329 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 april 2007, 06/2481 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 9 december 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop mr. Bemelmans heeft gereageerd. Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad op 26 november 2008 is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. Het Uwv heeft vervolgens vragen van de Raad beantwoord. Het geding is wederom ter zitting van de Raad behandeld op 28 oktober
- Appellante en haar gemachtigde zijn, met schriftelijk bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog. II. OVERWEGINGEN 1.
- Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de feiten die in de aangevallen uitspraak zijn vermeld en door partijen niet zijn betwist. De Raad volstaat met het volgende. 1.
- Bij besluit van 20 december 2005 heeft het Uwv appellante ingaande 27 december 2005 verdere uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd omdat appellante niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht voor haar arbeid. 1.
- Bij besluit op bezwaar van 3 mei 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 20 december 2005 in zoverre gegrond verklaard, dat appellante - om dezelfde reden - pas per 10 januari 2006 ZW-uitkering wordt geweigerd.
- De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad in het geval van appellante als maatstaf arbeid in de zin van artikel 19 ZW heeft te gelden de arbeid, zoals die nader geconcretiseerd is bij de beoordeling van de aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Dit betekent dat appellante niet ongeschikt tot werken is wanneer zij tenminste één van de destijds in het kader van de WAO geselecteerde functies kan vervullen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de grieven tegen de vaststelling van de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 26 april 2005 niet in de beoordeling kunnen worden betrokken omdat de op deze FML gebaseerde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voor de WAO in rechte vaststaat. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsarts duidelijk rekening heeft gehouden met de klachten van appellante en daarbij de van de behandelende artsen afkomstige informatie in de beoordeling heeft betrokken. Appellante heeft haar standpunt dat zij ten tijde in geding meer beperkt was onvoldoende onderbouwd. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het bestreden besluit op een toereikende medische grondslag berust.De rechtbank heeft ten slotte geen aanknopingspunten gevonden voor twijfel aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, zoals weergegeven in zijn rapport van 2 november 2006, dat appellante met haar beperkingen in ieder geval in staat is de functie van productiemedewerker textiel (sbc-code 272043) te vervullen.
- In hoger beroep heeft appellante, met verwijzing naar hetgeen in bezwaar en beroep is aangevoerd, gesteld dat haar medische situatie op 10 januari 2006 niet wezenlijk is veranderd ten opzichte van de periode daarvoor, in het bijzonder niet haar psychische gesteldheid, waarbij zij heeft gewezen op haar depressieve stoornis. Het Uwv heeft daarop in het verweerschrift inhoudelijk gereageerd. 4.
- De Raad oordeelt als volgt. 4.
- Hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in beroep, geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten en is niet nader onderbouwd met (nieuwe) medische gegevens. Dit heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat, zoals de gemachtigde van appellante de Raad in reactie op het verweerschrift heeft bericht, de klachten van depressieve aard na het overlijden van haar broer in mei 2006, gelet op de datum in geding, geen rol kunnen spelen.
- Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december
- (get.) C.P.J. Goorden. (get.) F. Heringa. CVG