09/2563 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2009, 04/6072 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 10 december 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. L. Faouzi, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober
- Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Meijer. II. OVERWEGINGEN
- Bij besluit van 5 november 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv - beslissend op bezwaar - gehandhaafd zijn besluit van 23 december 2003, inhoudende dat appellant met ingang van 13 februari 2004 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum is afgenomen naar minder dan 15%. 2.
- De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, omdat - kort samengevat - pas in beroep afdoende door het Uwv is gemotiveerd dat de drie uiteindelijk aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies geschikt zijn te achten voor appellant. De rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven en heeft beslissingen gegeven over het griffierecht en de proceskosten. 2.
- De rechtbank heeft haar oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit doen steunen op de door haar benoemde deskundige prof. dr. G.F. Koerselman, psychiater, uitgebrachte rapporten van 1 juli 2007 en 2 oktober
- De rechtbank heeft uitvoerig gemotiveerd waarom haar niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval af te wijken van het in de rechtspraak verankerde uitgangspunt dat het oordeel van een onafhankelijke, door de bestuursrechter ingeschakelde, deskundige in beginsel dient te worden gevolgd.
- In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn medische beperkingen zijn onderschat en dat hij ten onrechte belastbaar wordt geacht voor voltijdse functies. Ten onrechte heeft de rechtbank de deskundige Koerselman niet geconfronteerd met de andersluidende visie van behandelend psychiater K. Mengelberg, neergelegd in diens brief van 26 oktober
- Ten slotte is hij van mening dat er nog een deskundige internist moet worden benoemd. 4.
- Het hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten, omdat de medische beperkingen van appellant niet zijn onderschat en omdat hij in staat moet worden geacht tot het verrichten van de drie resterende functies. 4.
- Ook de Raad is van oordeel dat er in dit geval onvoldoende aanleiding bestaat om van de hiervoor in 2.2 geformuleerde hoofdregel af te wijken. De Raad onderschrijft de conclusie van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad zijn de rapporten van de deskundige Koerselman van 1 juli 2007 en 2 oktober 2008 naar behoren gemotiveerd en consistent. Daarbij is de deskundige ook gemotiveerd ingegaan op de - op het punt van de urenbeperking - andersluidende visie van behandelend psychiater Mengelberg, zoals vervat in diens brief van 7 juli
- De deskundige Koerselman heeft gemotiveerd aangegeven dat er geen noodzaak bestaat een urenbeperking aan te nemen, naast de door hem geadviseerde - en door de bezwaarverzekeringsarts in de Functionele Mogelijkheden Lijst alsnog opgenomen - voorwaarde dat appellant zijn werkzaamheden zelf moet kunnen inrichten en dat hij de begintijden moet kunnen aanpassen en overdag een rustpauze moet kunnen inlassen als hij ’s nachts slecht slaapt. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank daarom op goede gronden kunnen besluiten er van af te zien de deskundige een reactie te vragen op de brief van de behandelend psychiater van 26 oktober
- 4.
- Voorts overweegt de Raad dat uit de in het dossier voorhanden informatie van de behandelend internist dr. C. Rustemeijer niet naar voren komt dat ten tijde van belang de belastbaarheid van appellant door het Uwv is overschat. De Raad verwijst in dit verband naar het rapport van bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar van 15 november
- Voor een benoeming van een deskundige internist ziet de Raad dan ook onvoldoende aanleiding.
- Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december
- (get) J.P.M. Zeijen (get) A.C.A. Wit EF