← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6491

08/1531 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 januari 2008, 07/2313 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 11 december 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J. Heek, verbonden aan SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober

  1. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M.H. Rokebrand. II. OVERWEGINGEN
  2. Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank, gelet op de gedingstukken met juistheid, in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding van het volgende. Bij besluit van 5 februari 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat er voor appellante met ingang van 13 november 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het door appellante gemaakte bezwaar tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 16 juli 2007 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
  3. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. 2.
  4. Ten aanzien van de medische component van de schatting heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit op een voldoende medische grondslag berust en er (mitsdien) onvoldoende aanleiding is om een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen. Daartoe is overwogen dat de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen over informatie over appellante beschikten van de behandelend systeemtherapeute F. Laghzaoui, verbonden aan Altrecht geestelijke gezondheidszorg te Utrecht, en dat de bezwaarverzekeringsarts bij rapporten van 3 oktober 2007 en 11 januari 2008 gemotiveerd heeft gesteld dat de in beroep ingezonden gegevens van deze behandeling geen aanleiding geven om de ten behoeve van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) verder aan te passen. 2.
  5. De rechtbank heeft na vergelijking van de FML met de functiebeschrijvingen van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geoordeeld dat deze binnen voor de voor appellante vastgestelde belastbaarheid vallen en dus geschikt zijn. Voorts heeft zij vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat uitgaande van de geschiktheid van die functies de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per de datum in geding minder dan 35% bedraagt. Daarop is het bestreden besluit in stand gelaten.
  6. In hoger beroep heeft appellante onder herhaling van de gronden in bezwaar en beroep aangevoerd dat zij zich niet kan verenigen met de aangevallen uitspraak. Zij is van mening dat haar beperkingen tot het verrichten van arbeid niet juist zijn vastgesteld. Daardoor meent zij ook niet in staat te zijn de geselecteerde functies te vervullen. De rechtbank heeft ten onrechte het Uwv in zijn standpunt gevolgd dat de bestreden beslissing op een juiste en afdoende gemotiveerde medische en arbeidskundige grondslag berust. 4.
  7. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad slechts een herhaling van hetgeen in bezwaar en beroep is gesteld, zonder enige onderbouwing van medische en/of feitelijke aard waarom het oordeel van de rechtbank niet juist is. 4.
  8. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank mede gelet op de gemotiveerde reacties van de bezwaarverzekeringsarts op de in beroep ingezonden gegevens van de systeemtherapeute Laghzaoui. Het in beroep gehandhaafde standpunt van de bezwaarverzekeringsarts is in hoger beroep door appellante niet met nieuwe medische gegevens weersproken of anderszins gemotiveerd in twijfel getrokken. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
  9. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. Voor vergoeding van schade als door appellante verzocht is ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige geval dan ook geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst.
  10. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december
  11. (get.) D.J. van der Vos. (get.) T.J. van der Torn. GdJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.