08/3507 MAW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 mei 2008, 07/5484 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Commandant Landstrijdkrachten (hierna: commandant) Datum uitspraak: 3 december 2009 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De commandant heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober
- Appellant is niet verschenen. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.H. Pot, werkzaam bij het ministerie van Defensie. II. OVERWEGINGEN
- Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant was sedert 12 maart 2001 aangesteld als militair bij het beroepspersoneel voor een bepaalde tijd. Bij besluit van 10 april 2006, zoals later gewijzigd bij besluit van 27 juni 2006, is appellant aangewezen voor deelname aan de missie in Afghanistan, van 3 augustus tot 30 november
- Dit besluit is bij besluit van 18 juli 2006 ingetrokken, omdat appellant als gevolg van psychische klachten inmiddels een fors deel van het opwerktraject voor de uitzending had gemist. 1.
- Bij besluit van 1 september 2006 is appellant meegedeeld dat hij, onder intrekking van het besluit van 10 april 2006 en na advies van de Maatschappelijke Dienst Defensie, voor de duur van 6 maanden - tot 17 januari 2007 - niet wordt uitgezonden. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 14 juni 2007 is dit bezwaar gegrond verklaard. Het besluit van 1 september 2006 is herroepen en bepaald is dat appellant niet meer wordt uitgezonden tot het einde van zijn aanstelling op 12 maart
- Aan appellant is een vergoeding van proceskosten in bezwaar toegekend.
- Bij de aangevallen uitspraak is het tegen het besluit van 14 juni 2007 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat bij de beslissing op bezwaar geheel aan appellant is tegemoetgekomen, zodat geen belang meer bestaat bij een oordeel van het beroep tegen dat besluit. Omdat een procesbelang nog wel kan zijn gelegen in een vergoeding van de schade die als gevolg van het bestreden besluit is geleden, heeft de rechtbank vervolgens overwogen dat appellant wel gesteld heeft dat hij schade heeft geleden, maar dat hij die stelling niet heeft onderbouwd.
- In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat wel degelijk sprake is van procesbelang, omdat op de verkeerde gronden is overgegaan tot intrekking van het bestreden besluit. Door verkeerde voorstelling van zaken is appellant psychisch leed berokkend en hij wenst te worden gerehabiliteerd en gecompenseerd.
- Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad als volgt. 4.
- De Raad stelt in de eerste plaats vast dat tussen partijen niet in geschil is dat met het besluit van 14 juni 2007, genomen door de commandant, geheel tegemoet gekomen is aan de bezwaren van appellant. In zoverre heeft de rechtbank terecht overwogen dat geen belang meer bestaat bij beoordeling van dat besluit. De Raad merkt daarbij op dat de voorzieningen van rechtsbescherming die de Algemene wet bestuursrecht biedt, niet bedoeld zijn voor het beantwoorden van principiële vragen, zoals die of het primaire besluit en de daaraan voorafgaande uitzendingsbesluiten bevoegd genomen zijn. 4.
- De Raad stelt voorts met de rechtbank vast dat appellant er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij als gevolg van het besluit van 14 juni 2007 schade zou hebben geleden. Voor zover appellant heeft betoogd dat zijn psychische klachten zijn opgetreden als gevolg van de onjuiste bestuurlijke besluitvorming met betrekking tot zijn uitzending overweegt de Raad dat die klachten zich hebben voorgedaan nadat besloten was dat appellant werd uitgezonden. Het thans in geding zijnde besluit voorziet echter in definitief afstel van de uitzending, zodat die klachten niet geacht kunnen worden in verband te staan met juist dàt besluit. Nu appellant niet eerder om schadevergoeding heeft verzocht houdt het besluit van 14 juni 2007 geen beslissing in op zo’n verzoek, zodat ook daarin geen procesbelang gelegen kan zijn. 4.
- Gelet hierop kan het hoger beroep niet slagen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december
- (get.) K. Zeilemaker. (get.) K. Moaddine. HD