← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6643

09/526 WSF Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 december 2008, 08/1306 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep). Datum uitspraak: 14 december 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante is hoger beroep ingesteld. De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november

  1. Appellante is niet verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. P.E. Merema. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Aan appellante is met ingang van 1 oktober 2007 studiefinanciering toegekend in verband met de opleiding Nederlands Recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen (RU). 1.
  3. Bij besluit van 10 juli 2008 heeft de IB-Groep, beslissend op bezwaar, haar besluiten van 7 juni 2008 en 27 juni 2008 waarbij over de periode van 1 oktober 2007 tot 1 juni 2008 het recht op studiefinanciering van appellante is herzien en vorderingen wegens teveel verstrekte studiefinanciering en onterecht OV-kaartbezit aan appellante zijn opgelegd gehandhaafd omdat zij in bovengenoemde periode niet stond ingeschreven als student voor het volgen van een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding als bedoeld in artikel 2.8 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Appellante was voor het collegejaar 2007-2008 ingeschreven voor het volgen van cursussen via contractonderwijs aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de RU.
  4. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 10 juli 2008 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe is - kort samengevat - overwogen dat er geen wettelijke bepaling is die inhoudt dat contractonderwijs kan worden gelijkgesteld met een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding zodat appellante vanaf 1 oktober 2007 gezien artikel 2.8 van de Wsf 2000 geen recht heeft op studiefinanciering, en het beroep van appellante op de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 vervatte hardheidsclausule niet kan slagen.
  5. Het hoger beroep van appellante richt zich enkel tegen het oordeel van de rechtbank dat de IB-Groep in de bijzondere omstandigheden van dit geval geen aanleiding heeft behoeven te vinden om toepassing te geven aan de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 opgenomen hardheidsclausule. 4.
  6. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, dat het beroep van appellante op de hardheidsclausule niet slaagt. 4.
  7. De Raad wijst erop dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is dat voor het volgen van onderwijs dat niet valt onder artikel 2.8 van de Wsf 2000 geen recht op studiefinanciering bestaat. Dit betekent dat noch de op zichzelf begrijpelijke keuze van appellante voor het volgen van contractonderwijs, noch de omstandigheden dat zij het eerste studiejaar van het contractonderwijs met goed resultaat heeft gevolgd en zij daarvoor meer inschrijfgeld heeft betaald dan het collegegeld voor een voltijdse opleiding bedraagt, er toe kunnen leiden dat onder toepassing van de hardheidsclausule wordt afgeweken van het formele inschrijvingsvereiste van artikel 2.8 van de Wsf
  8. 4.
  9. Het hoger beroep treft mitsdien geen doel. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd. 4.
  10. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december
  11. (get.) J. Brand. (get.) T.J. van der Torn. TM

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.