08/6740 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2008, 07/549 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 11 december 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P.P.J.L. Appelman, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 27 januari 2009 heeft het Uwv een rapportage van bezwaarverzekeringsarts J. Coehoorn van dezelfde datum overgelegd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober
- Appellante is – met kennisgeving – niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. C. Vork. II. OVERWEGINGEN
- Appellante heeft haar werkzaamheden als medewerkster in de thuiszorg op 14 januari 2005 gestaakt in verband met handklachten. Bij besluit van 2 maart 2007 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, zijn besluit van 23 oktober 2006 gehandhaafd, waarbij hij heeft vastgesteld dat er voor appellante met ingang van 11 februari 2007 geen recht ontstaat op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Dit besluit berust op het standpunt dat appellante met inachtneming van de voor haar geldende medische beperkingen in staat is te achten tot het verrichten van passende arbeid.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 2 maart 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft aldus beslist nadat ze tot het oordeel was gekomen dat het besluit van 2 maart 2007 op een toereikende medische grondslag berust en appellante in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te verrichten. De rechtbank heeft daartoe doorslaggevende betekenis toegekend aan de bevindingen en conclusies van de door haar als deskundige ingeschakelde revalidatiearts W.J. Wertheim, zoals neergelegd in zijn rapport van 2 april
- Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte het oordeel van de deskundige heeft gevolgd. 4.
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- De door de rechtbank als deskundige geraadpleegde revalidatiearts Wertheim heeft zich volledig kunnen vinden in de vaststelling van de belastbaarheid van appellante op 11 januari 2007, als neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 3 oktober
- Voorts heeft de deskundige appellante op 11 januari 2007 vanuit medisch oogpunt geschikt geacht voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. 4.
- In zijn vaste rechtspraak ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere feiten en omstandigheden aanleiding tot afwijking van deze hoofdregel. Er bestaat in dit geval geen aanleiding om van deze hoofdregel af te wijken. De Raad is van oordeel dat de deskundige een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat de deskundige zijn conclusies heeft gebaseerd op eigen onderzoek en op de zich in het dossier bevindende medische informatie. De deskundige heeft zijn conclusies naar behoren en overtuigend gemotiveerd. De Raad overweegt verder dat de deskundige op genoegzame wijze is ingegaan op de namens appellante door verzekeringsarts W.M. van der Boog op 19 mei 2008 gegeven reactie op zijn rapportage en inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom hij zijn standpunt ten aanzien van de belastbaarheid van appellante onverkort handhaaft. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat geen aanknopingspunten die een uitzondering op de hiervoor weergegeven hoofdregel rechtvaardigen. Dat de deskundige aan een mogelijke psychiatrische diagnose denkt – welk vermoeden volgens appellante kant noch wal raakt – brengt daarin geen verandering, in welk verband de Raad verwijst naar het in rubriek I vermelde rapport van bezwaarverzekeringsarts Coehoorn. Naar deze arts met juistheid stelt, doet het vermoeden van de deskundige Wertheim niet af aan zijn conclusies, welke uitsluitend de op zijn eigen vakgebied gelegen claimklachten van appellante – de arm -, hand- en rugklachten – betreffen. 4.
- Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december
- (get.) J.W. Schuttel. (get.) D.W.M. Kaldenhoven. EK