← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2009:BK7205

08/6017 WUV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], Indonesië (hierna: appellante), en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 10 december 2009 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 26 juni 2008, kenmerk BZ 47747, JZ/W60/2008, ten aanzien van haar gegeven besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november

  1. Daar is appellante niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN
  2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellante heeft in augustus 2007 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering op grond van de Wet als weduwe van [naam betrokkene] (hierna: betrokkene) die op 30 juni 1999 is overleden. In dat verband heeft appellante naar voren gebracht dat betrokkene tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië als krijgsgevangene in Morotai geïnterneerd is geweest en mishandeling heeft ondergaan, hetgeen heeft geleid tot gezondheidsklachten bij betrokkene, aldus appellante. 1.
  4. Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 18 februari 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit op de grond dat niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.
  5. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden en overweegt daartoe als volgt. 2.
  6. Op grond van artikel 2 van de Wet wordt, voor zover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homoseksualiteit dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd. 2.
  7. Op grond van de gedingstukken stelt de Raad vast dat er geen gegevens voorhanden zijn die de gestelde krijgsgevangenschap van betrokkene kunnen bevestigen. Zo heeft de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, die de beschikking heeft over onder meer de archieven van Overzeese pensioenen, geen gegevens omtrent betrokkene aangetroffen. Verder heeft verweerster ook bij raadpleging van het zogenoemde Bandung-archief op naam van betrokkene dan wel op het door appellante genoemde stamboeknummer van betrokkene geen gegevens aangetroffen. Ook anderszins zijn geen objectieve gegevens verkregen die de gestelde internering kunnen bevestigen. Weliswaar heeft appellante in beroep een verklaring overgelegd van de broer van betrokkene, [naam broer betrokkene], maar aan die verklaring kan niet die waarde worden gehecht die appellante daaraan gehecht wil zien. De Raad acht daarbij doorslaggevend dat [naam broer betrokkene] heeft aangegeven de verklaring te hebben gebaseerd op verhalen van betrokkene zelf. 2.
  8. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat verweerster terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat, nu niet blijkt dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan, appellante niet als weduwe in de zin van de Wet in aanmerking kan worden gebracht voor een periodieke uitkering.
  9. Gezien het voorgaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.
  10. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december
  11. (get.) G.L.M.J. Stevens. (get.) T.J. van der Torn. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.