← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2009:BK7227

09/1348 WUBO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant] (hierna: appellant), en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 10 december 2009 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 10 februari 2009, kenmerk BZ 8853, JZ/B60/2008, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november

  1. Daar is appellant niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN
  2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant, geboren op 27 december 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in februari 2002 een aanvraag ingediend om als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet en een periodieke uitkering. Die aanvraag heeft appellant gebaseerd op gezondheidsklachten die een gevolg zouden zijn van de omstandigheden waaronder hij zijn jeugdjaren in het voormalige Nederlands-Indië heeft doorgebracht. Als relevante ervaringen tijdens de Japanse bezetting heeft appellant naar voren gebracht de vlucht van het gezin waartoe hij behoorde naar een kampong uit angst voor de Japanse maatregelen en tijdens de Bersiap-periode kwam het gezin in een beschermingskamp terecht. 1.
  4. Bij besluit van 29 mei 2002 heeft verweerster afwijzend op deze aanvraag beslist. Daartoe is overwogen dat niet gebleken is dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld en dat daardoor niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogs-slachtoffer als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend. 1.
  5. In november 2008 heeft appellant verweerster opnieuw verzocht hem op grond van de Wet in aanmerking te brengen voor de toeslag ter verbetering van zijn levensomstan-digheden als bedoeld in artikel 19 van de Wet en een periodieke uitkering. Dit verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 18 december 2008, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. 1.
  6. In beroep blijft appellant van mening dat hij op grond van hetgeen hij heeft meegemaakt ten tijde van de Japanse bezetting en in de Bersiap-periode voor de gevraagde uitkeringen in aanmerking behoort te komen.
  7. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt. 2.
  8. Op grond van artikel 61, derde lid van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is van discretionaire aard, hetgeen met zich brengt dat de Raad het besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of door appellant feiten en omstandigheden in het geding zijn gebracht die aan verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren en die besluiten in een zodanig nieuw daglicht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan. 2.
  9. Van dergelijke gegevens is de Raad niet gebleken. De Raad moet vaststellen dat appellant bij het onderhavige verzoek, dat verweerster terecht heeft aangemerkt als een herzieningsverzoek, en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek, grotendeels heeft herhaald hetgeen hij reeds ter ondersteuning van zijn eerdere aanvraag had aangevoerd. 2.
  10. Gezien het vorenstaande kan niet worden gezegd dat verweerster niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot haar besluit om niet tot herziening over te gaan en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
  11. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december
  12. (get.) A. Beuker-Tilstra. (get.) B.E. Giesen. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.