09/1550 WUV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant] (hierna: appellant), en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 10 december 2009 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 12 maart 2009, kenmerk BZ 48265, JZ/T70/2009, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wet), verder: bestreden besluit. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november
- Appellant is niet verschenen, zoals tevoren was gemeld. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN
- Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Aan appellant, geboren in 1932, is met ingang van 1 april 1990 een periodieke uitkering op grond van de Wet toegekend. Aanvaard is dat zijn psychische klachten in verband staan met de vervolging. Voor de nieraandoening en knieklachten van appellant is hierbij geen causaal verband met de vervolging aanvaard. 1.
- Op 19 november 2008 heeft appellant verweerster verzocht een traplift te vergoeden. Bij besluit van 9 januari 2009 heeft verweerster hierop afwijzend beslist op de grond dat de knieklachten van appellant niet voortvloeien uit de vervolging. Na bezwaar is deze afwijzing gehandhaafd bij het bestreden besluit.
- Naar aanleiding van hetgeen in beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad als volgt. 2.
- Appellant heeft in hoofdzaak aangevoerd dat hij als kind door de Kenpeitai aan zijn linkerknie is mishandeld en in de jaren daarna altijd last heeft gehouden van die knie. Hij schrijft zijn huidige knieklachten wel toe aan de vervolging. Van de zijde van verweerster is aangevoerd dat de knieklachten voor het eerst in 1991 zijn beoordeeld, waarbij de mishandeling is meegewogen. Tevens is in aanmerking genomen dat appellant jarenlang kniebelastend werk heeft gedaan en er lang sprake is geweest van overgewicht. Er is sprake van gonartrose beiderzijds, waarbij destijds door appellant is aangegeven dat de klachten in 1988 zijn begonnen. 2.
- De Raad acht het bestreden besluit voldoende onderbouwd met de adviezen van twee geneeskundig adviseurs van verweerster. Al bij de toekenning van de periodieke uitkering in 1990 is door verweerster bepaald dat geen causaal verband bestaat met de vervolging. Door appellant zijn geen gegevens ingediend die aan de juistheid van het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt doen twijfelen.
- Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.
- De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december
- (get.) A. Beuker-Tilstra. (get.) B.E. Giesen. HD