09/425 WUBO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante] (hierna: appellante), en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 10 december 2009 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 23 december 2008, kenmerk BZ 8734, JZ/H70/2008, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november
- Daar is appellante in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot appellante]. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellante, geboren in 1942 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in april 2008 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Appellante heeft haar aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië. 1.
- Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 15 oktober 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans betreden besluit. Daartoe is overwogen dat appellante weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet (te weten internering in kamp Soemobito ten tijde van de Bersiap-periode) maar verweerster heeft vervolgens, overeenkomstig aan haar uitgebrachte medische adviezen, geoordeeld dat appellante als gevolg van die gebeurtenis geen lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen dat heeft geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wet. 1.
- In beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat er een verband bestaat tussen haar voetklachten en de oorlogservaringen. Zo heeft appellante - onder meer - aangevoerd dat zij door de Japanners tegen haar enkels werd geschopt als zij een binnen het kamp aangewezen plekje verliet. Verder heeft appellante zich wederom gekeerd tegen de kwaliteit van het medisch onderzoek omdat het betreffende rapport onjuistheden bevat.
- De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden en overweegt als volgt. 2.
- Anders dan appellante heeft de Raad geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de gedegenheid van het door verweersters geneeskundig adviseur, de arts A.A. Coster, bij appellante verrichte medisch onderzoek. Weliswaar bevat de betreffende rapportage enige onjuist weergegeven feiten, maar dat maakt niet dat het rapport op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Vervolgens zijn de in de bezwaarprocedure door appellante gecorrigeerde feiten bij de medische beoordeling meegewogen, maar dat heeft verweerster niet tot een ander oordeel kunnen leiden. 2.
- Blijkens de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische adviezen, gebaseerd op het rapport van de arts A.A. Coster waarbij is betrokken de van de huisarts ontvangen informatie alsmede informatie van de appellante behandelende orthopedisch chirurg, kunnen de lichamelijke en psychische klachten niet aan het oorlogsgeweld worden toegeschreven. Zo is geoordeeld dat de oorzaak voor de bij appellante aanwezige psychische klachten (slaapstoornis) moet worden gezocht in de omstandigheden van het ouderlijk gezin en dat lichamelijke klachten evenmin aan het oorlogsgeweld kunnen worden toegeschreven. Met betrekking tot de voetklachten is geoordeeld dat deze berusten op een platvoet met een afwijkende stand van de enkel, hetgeen een constitutionele aandoening betreft. De Raad heeft in de voorhanden zijnde medische gegevens geen aanleiding gevonden om deze door verweerster gevolgde medische standpunten voor onjuist te houden. Met betrekking tot de voetklachten acht de Raad in het bijzonder nog van belang dat ook uit de informatie van de orthopedisch chirurg niet blijkt dat de klachten voortkomen uit een trauma als door appellante beschreven. 2.
- Wat betreft de grief van appellante dat haar broers wel in aanmerking zijn gebracht voor een uitkering, merkt de Raad op dat - daargelaten of bij de broers sprake is geweest van identiek oorlogsgeweld - het antwoord op de vraag of een aanvrager aan zijn oorlogsomstandigheden te relateren klachten heeft (en of hij daardoor blijvend invalide is geworden) berust op een individuele medische beoordeling. Aangezien elk individu de meegemaakte oorlogservaringen op zijn eigen wijze verwerkt, is bij een medische beoordeling in dit kader een vergelijking met lotgenoten niet aan de orde.
- Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden en het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.
- De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december
- (get.) G.L.M.J. Stevens. (get.) T.J. van der Torn. HD