← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2009:BK7249

09/4685 WUBO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 17 van de Beroepswet in verband met het beroep van: [appellant] (hierna: appellant), in het geding tussen: appellant en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad Datum uitspraak: 17 december 2009 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 28 mei 2009, kenmerk BZ 8562, JZ/A60/

  1. Dit besluit is bij aangetekend schrijven van 28 mei 2009 aan appellant bekendgemaakt. Nadat dit besluit retour was gekomen, heeft verweerster het besluit op 23 juli 2009 nogmaals aan appellant toegezonden . Het beroepschrift is op 21 augustus 2009 ter griffie ontvangen. II. OVERWEGINGEN Volgens de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt het volgende: De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop het bestreden besluit door middel van toezending aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Op grond van de in rubriek I vermelde gegevens moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Bij schrijven van 9 september 2009 is aan appellant gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding. Appellant heeft daarop bij brief van 22 september (lees: 2009) - kort weergegeven - geantwoord dat hij het besluit pas op veel latere datum onder ogen heeft gekregen aangezien hij voor langere tijd bij zijn zieke moeder was om haar te verzorgen en dat hij daardoor het aangetekende stuk niet heeft kunnen afhalen. Hetgeen appellant ter zake heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. De Raad overweegt daartoe dat het op de weg van appellant ligt om indien hij voor langere tijd afwezig is, afdoende maatregelen te treffen om kennisneming en afhandeling van (belangrijke) poststukken tijdens zijn afwezigheid mogelijk te maken. Het beroep is derhalve kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van M. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december
  2. (get.) G.L.M.J. Stevens. (get.) M. Koopman. Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van dit afschrift schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. HD 07.12

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.