← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2009:BK7356

08/3399 AW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 mei 2008, 07/1791 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Minister van Justitie (hierna: minister) Datum uitspraak: 10 december 2009 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november

  1. Partijen zijn niet verschenen. II. OVERWEGINGEN
  2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 1.
  3. Appellant was werkzaam als senior penitentiair inrichtingsmedewerker op de afdeling [naam afdeling], [Penitentiaire Inrichting]. 1.
  4. Op 3 april 2006 is door een collega van appellant bij het afdelingshoofd melding gemaakt van twee incidenten die op 1 april 2006 hadden plaatsgevonden. Die incidenten betroffen het door appellant bij wijze van 1 aprilgrap aanzeggen van opheffing van de vreemdelingenbewaring aan gedetineerden T en M. Naar aanleiding van die melding zijn appellant, een collega van appellant en gedetineerden T en M gehoord. M heeft verklaard dat appellant hem had meegedeeld dat zijn bewaring was opgeheven, waarbij appellant hem plastic zakken had verstrekt ten behoeve van zijn spullen en hem had gevraagd naar welk grensstation hij een treinkaartje wilde ontvangen. Tijdens het pakken heeft M nog bij appellant geïnformeerd of het geen grap betrof, hetgeen appellant bevestigde. Nadat M gereed was voor zijn vertrek uit de inrichting heeft appellant zijn 1 aprilgrap onthuld. M heeft verklaard dat hij als uiting van teleurstelling zijn hoofd enkele malen tegen de muur heeft geslagen. T heeft verklaard dat appellant een vergelijkbare grap met hem had uitgehaald, maar dat hij tijdens het pakken van zijn spullen door een collega van appellant was ingelicht dat het een grap betrof. Appellant heeft het incident met M erkend, doch ontkend dat hij bij T een zelfde grap had uitgehaald. 1.
  5. De minister heeft appellant bij besluit van 13 juni 2006 wegens plichtsverzuim op grond van artikel 81, eerste lid en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar opgelegd. 1.
  6. Het bezwaar van appellant is bij het thans bestreden besluit van 7 maart 2007 ongegrond verklaard.
  7. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, overwegende dat tussen partijen geen verschil van mening bestaat ten aanzien van de gedraging jegens M. Deze gedraging is volgens de rechtbank aan te merken als ernstig plichtsverzuim en niet is gebleken dat het plichtsverzuim niet aan appellant zou kunnen worden toegerekend. De straf van voorwaardelijk ontslag acht de rechtbank niet onevenredig aan de ernst van de verweten gedraging.
  8. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat zijn in bezwaar en beroep aangevoerde gronden niet (voldoende) zijn weerlegd. Appellant acht het verlenen van voorwaardelijk disciplinair strafontslag, ook al zou de lezing van de feiten voor juist moeten worden gehouden, onevenredig en disproportioneel.
  9. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende. 4.
  10. In dit geding staat de Raad voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat aan appellant in redelijkheid de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag is opgelegd. 4.
  11. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak. Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd bevat geen nieuwe gezichtpunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. 4.
  12. De Raad overweegt dienaangaande nog dat appellant het voorval met M heeft erkend in de door hem zelf op schrift gestelde verklaring van 6 april
  13. Zoals de minister in hoger beroep nogmaals heeft onderstreept verblijven gedetineerden in vreemdelingen-detentie in afwachting van opheffing van het verblijf of uitzetting en dat kan van het ene op het andere moment gebeuren. M kon daarom in de veronderstelling verkeren dat er daadwerkelijk sprake was van opheffing van de bewaring, waarbij het gebruikelijk is dat plastic zakken worden uitgereikt om de eigendommen mee te kunnen nemen. Appellant heeft met zijn grap willens en wetens misbruik gemaakt van zijn functie. Het vertrouwen dat gedetineerden gezien de kwetsbare positie waarin zij zich bevinden moeten kunnen stellen in de medewerkers van de instelling alsmede het aanzien van de Penitentiaire Inrichtingen zijn hierdoor ernstig geschaad en aldus heeft appellant gehandeld in strijd met de integriteit en professionaliteit die van een justitiemedewerker mag worden verwacht. De minister heeft deze gedraging van appellant jegens M terecht als plichtsverzuim aangemerkt. 4.
  14. De Raad is van oordeel dat de toegekende straf van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar gezien de ernst van het door appellant gepleegde plichtsverzuim geenszins onevenredig is te achten.
  15. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
  16. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december
  17. (get.) K. Zeilemaker. (get.) K. Moaddine. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.