← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8197

08/4949 WIA en 08/4885 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraken van de rechtbank Zutphen van 30 juni 2008, 07/960 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 07/2055 (hierna: aangevallen uitspraak 2), in de gedingen tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 23 december 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat in Apeldoorn, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Cornelisse. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.O. Diepenbroek. II. OVERWEGINGEN 08/4949 WIA
  2. Appellante, voorheen werkzaam geweest als koekjesinpakker, heeft zich vanuit een situatie dat zij uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving, per 15 november 2004 ziekgemeld met moeheidsklachten, hartkloppingen, hoge bloeddruk alsmede knie-, schouder- en enkelklachten. Na onderzoek door verzekeringsarts J.K. van Essen op 4 oktober 2006, die de beperkingen van appellante in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft vastgelegd, heeft arbeidsdeskundige J.H.A. Oosterwegel de arbeidsmogelijkheden onderzocht. In dat kader is appellante in staat geacht de functie van produktiemedewerker papier met sbc-code 111174, de functie van produktiemedewerker textiel met sbc-code 272043 en de functie van textielproduktenmaker met sbc-code 111160 te verrichten, op grond waarvan sprake was van een loonverlies van minder dan 35%. Bij besluit van 11 oktober 2006 is appellante meegedeeld, dat per einde wachttijd, 13 november 2006, geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan.
  3. In bezwaar is namens appellante informatie van huisarts R.D. van Ingen en van psychotherapeute M. Barnouw in geding gebracht. Bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke heeft de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen onderschreven, waarna het bezwaar bij besluit van 3 mei 2007 (hierna: bestreden besluit I) ongegrond is verklaard.
  4. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv de gezondheidstoestand van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen per 13 november 2006, zoals neergelegd in de FML van 4 oktober 2006, juist heeft vastgesteld. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, dat de verzekeringsarts een medisch onderzoek heeft verricht en appellante op het spreekuur heeft gezien. De bezwaarverzekeringsarts heeft dossierstudie verricht, de hoorzitting bijgewoond en de door appellante in geding gebrachte informatie van de behandelend sector meegewogen. Ook de op 18 juni 2008 door appellante ingezonden medische stukken hebben bij de rechtbank geen twijfel doen ontstaan aan de juistheid van het door het Uwv ingenomen standpunt. Appellante is naar het oordeel van de rechtbank terecht in staat geacht de haar voorgehouden functies te verrichten. Aangezien de noodzakelijke onderbouwing van de geschiktheid van de functies door bezwaararbeidsdeskundige H.J. van Heun pas in de fase van beroep is gerealiseerd, is het beroep bij aangevallen uitspraak 1 onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegrond verklaard met instandlating van de rechtsgevolgen.
  5. In hoger beroep stelt appellante zich, onder verwijzing naar de eerder ingediende gronden in bezwaar en beroep, op het standpunt dat zij in medisch opzicht meer beperkt is dan aangenomen. In dat verband is aangevoerd, dat appellante onder behandeling is gekomen van psychiater F. Kaya, met wie zij maandelijks gesprekken voert en die haar medicatie heeft voorgeschreven. Tenslotte is appellante van mening, dat de rechtbank heeft verzuimd een onafhankelijk deskundige in te schakelen.
  6. De Raad overweegt als volgt. 5.
  7. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in de FML van 4 oktober 2006 voldoende rekening is gehouden met de bij appellante bestaande beperkingen. De stelling dat de beperkingen zouden zijn onderschat wordt niet met nieuwe medische gegevens onderbouwd. De in bezwaar en beroep overgelegde informatie van de behandelend sector is consistent met de bevindingen en conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts. 5.
  8. De Raad volgt appellante niet in haar stelling, dat de rechtbank een onafhankelijk deskundige had moeten benoemen. In de voorhanden medische gegevens ziet de Raad hier evenmin zelf aanleiding toe. 5.
  9. Uit hetgeen onder punt 5.1 en 5.2 is overwogen vloeit voort, dat aangevallen uitspraak 1 voor bevestiging in aanmerking komt. 08/4885 ZW
  10. Op 12 maart 2007 heeft appellante zich, vanuit een situatie dat zij WW-uitkering ontving, ziekgemeld met klachten van hoge bloeddruk, moeheid, psychische klachten en gewrichtsklachten. Verzekeringsarts A.R. Heitkönig heeft op 23 april 2007 vastgesteld, dat de medische situatie ten opzichte van die ten tijde van de WIA-beoordeling niet gewijzigd is en dat de ziekmelding als een protestmelding kan worden beschouwd. Bij besluit van 23 april 2007 is appellante in staat geacht lichte werkzaamheden te verrichten per 30 april 2007 en is haar ziektewetuitkering met ingang van laatstgenoemde datum be?indigd.
  11. In bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts M. Bakker geoordeeld, dat vanaf datum ziekmelding geen sprake is geweest van ongeschiktheid voor de maatstaf arbeid. Het bezwaar is bij besluit van 26 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.
  12. In beroep heeft appellante aangevoerd, dat de medische situatie na datum hersteld verklaring niet gewijzigd is ten opzichte van de periode daarvoor, toen zij ziekengeld ontving. Ter ondersteuning van dat standpunt heeft appellante een brief van psychiater F. Kaya van 13 december 2007 in geding gebracht. Nadat bezwaarverzekeringsarts Bakker op deze informatie op 15 februari 2008 heeft gereageerd, heeft de rechtbank het beroep bij aangevallen uitspraak 2 ongegrond verklaard. Het standpunt van appellante dat zij vanwege haar medische beperkingen niet in staat zou zijn te werken heeft de rechtbank verworpen.
  13. In hoger beroep heeft appellante haar grief, dat de medische beperkingen zouden zijn onderschat, herhaald.
  14. De Raad overweegt als volgt. 10.
  15. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. 10.
  16. Naar de Raad bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk maar geschikt is bevonden voor gangbare arbeid, zoals geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak op uitkering ingevolge de Wet WIA, als maatstaf voor ‘zijn arbeid’ elk van deze functies afzonderlijk heeft te gelden. 10.
  17. Dit betekent dat aan de Raad ter beoordeling voorligt de vraag of appellante per 30 april 2007 in staat kan worden geacht ten minste één van de functies, genoemd in het arbeidskundig rapport van J.H.A. Oosterwegel van 11 oktober 2006 te verrichten, welke vraag de Raad bevestigend beantwoordt. 10.
  18. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en heeft in de beschikbare gegevens geen aanwijzingen gevonden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat de beperkingen van appellante door het Uwv zijn onderschat. Ook de in beroep overgelegde brief van psychiater F. Kaya kan niet tot een ander oordeel leiden, aangezien de in die brief verwoorde problematiek betrekking heeft op een periode na datum in geding. Ook overigens heeft de Raad geen reden om aan de juistheid van het medische oordeel te twijfelen. 10.
  19. Mede in het licht van het onder 10.4 overwogene heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad terecht geen aanleiding gezien een onafhankelijk deskundige te benoemen. Ook de Raad ziet geen aanleiding hiertoe over te gaan. 10.
  20. Het onder punt 10.4 en 10.5 overwogene leidt tot de slotsom dat aangevallen uitspraak 2 eveneens voor bevestiging in aanmerking komt.
  21. De Raad acht in beide zaken geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraken. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december
  22. (get.) C.P.J. Goorden. (get.) F. Heringa. JL

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.