← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8227

08/2352 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 12 maart 2008, 07/4431 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 29 december 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. S. Akkas, advocaat te (thans) Haarlem, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 20 juni 2008 zijn de gronden van het hoger beroep ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september

  1. Voor appellant is niemand verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.H.A.H. Smithuysen. Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 20 november
  2. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Akkas, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door F.M.J. Eijmael. II. OVERWEGINGEN 1.
  3. Appellant, geboren op [in] 1959, was laatstelijk werkzaam als medewerker bouwbedrijf toen hij in 1997 uitviel wegens psychische klachten. Later zijn daar bijgekomen hartklachten en problemen met de slokdarm en maag. Na afloop van de wettelijke wachttijd werd appellant ingaande 9 februari 1998 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.
  4. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 5 december 2006 de WAO-uitkering van appellant ingaande 24 januari 2007 ingetrokken op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van appellant is afgenomen naar minder dan 15%. 1.
  5. Bij besluit van 8 juni 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 december 2006 ongegrond verklaard.
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant, ingesteld tegen het besluit van 8 juni 2007 (hierna: bestreden besluit), ongegrond verklaard. 2.
  7. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat zij geen reden zag het medisch onderzoek als niet voldoende zorgvuldig te beoordelen. De rechtbank kon zich verenigen met de vaststelling van de medische belastbaarheid door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv. 2.
  8. Naar aanleiding van de voorgedragen beroepsgrond betreffende de beoordeling van appellant door het Uwv op basis van het met ingang van 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (hierna: Schattingsbesluit), heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv geen discretionaire bevoegdheid heeft waar het gaat om de toepassing van het Schattingsbesluit. 3.
  9. In hoger beroep is gesteld dat het primair verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Gewezen is op de informatie van de huisarts en van de arts J.C. Mulder van GGZ/Dijk en Duin. De geduide functies zijn niet passend qua belasting. Ten onrechte is het (oude) Schattingsbesluit niet toegepast. 3.
  10. In het verweerschrift heeft het Uwv gewezen op de medische informatie die de bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer bij zijn heroverweging heeft betrokken: de brief van 13 maart 2007 van Mulder, arts bij GGZ/Dijk en Duin, de brief van 15 maart 2007 van huisarts P.S. Joustra, brieven van 16 juli 2002 en 26 augustus 2002 van oogarts G. Dijkman en de brief van 9 november 2004 van KNO-arts A.J.F. Beerens. Naar de mening van het Uwv is geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat appellant meer beperkt is dan reeds is aangenomen. De passendheid van de geduide functies is naar de mening van het Uwv voldoende toegelicht middels de rapportage van 6 juni 2007 van bezwaararbeidsdeskundige B. Evegaars.
  11. De Raad overweegt als volgt. 4.
  12. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek door het Uwv in dit geval niet als onzorgvuldig moet worden beschouwd. Appellant is tweemaal op het spreekuur van de arts R.T. Lansbergen geweest, welke arts zowel bij de huisarts Joustra als bij arts-assistent psychiatrie I. de Graaf van GGZ/Dijk en Duin informatie heeft ingewonnen. Op basis van de aldus verkregen informatie, het dossier, anamnese en psychisch onderzoek heeft Lansbergen een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Bezwaarverzekeringsarts Cramer heeft appellant gezien op de hoorzitting en de in bezwaar ingebrachte medische informatie van de behandelend sector beoordeeld. Daarbij heeft hij beredeneerd dat niet voldaan werd aan het criterium ‘geen duurzaam benutbare mogelijkheden’ als bedoeld in het Schattingsbesluit en heeft hij de FML aangepast, deels omdat sprake was van zogenoemde beperkende toelichtingen en deels omdat hij aanleiding zag alsnog uit preventief oogpunt een beperking aan de nemen ten aanzien van werken in lawaai. 4.
  13. Nu omtrent de gezondheidstoestand van appellant ten tijde hier van belang geen nadere medische informatie in geding is gebracht, ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist of onvolledig zou zijn. 4.
  14. Arbeidsdeskundige J.G. Grothe heeft in zijn rapport van 23 november 2006 de signaleringen bij de geduide functies toegelicht. Aan de hand van de op 19 maart 2007 bijgestelde FML heeft bezwaararbeidsdeskundige Evegaars op 6 juni 2007 deze functies nog steeds als voor appellant in medisch opzicht passend aangemerkt. De Raad ziet geen aanleiding daar anders over te oordelen. Met betrekking tot de belasting ter zake van zien in de functie soldering technician (sbc-code 111180) merkt de Raad op dat, ook al zou sprake zijn van een onaanvaardbare overschrijding van de belastbaarheid van appellant op dit punt, het vervallen van deze functie in het kader van de schatting niet zou leiden tot een andere arbeidsongeschiktheidsklasse. 4.
  15. Met betrekking tot de toepassing door het Uwv van het Schattingsbesluit zoals dat luidt na 1 oktober 2004 verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 22 april 2009, LJN BH0321, waaruit naar voren komt dat van strijd met het gelijkheidsbeginsel geen sprake is. Zoals uit de tekst van de overgangsbepalingen van het Schattingsbesluit en uit de artikelen 34, vierde lid, en 36 van de WAO blijkt, heeft het Uwv ter zake van de toepassing van de wet zoals hier aan de orde geen discretionaire bevoegdheid. Overigens heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd ook niet kunnen aangeven of eventuele toepassing van het oude Schattingsbesluit voor haar cliënt een gunstiger resultaat zou opleveren. 4.
  16. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.
  17. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december
  18. (get.) C.W.J. Schoor. (get.) A.E. van Rooij. IvR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.