← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8236

08/2912 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 april 2008, kenmerk 07/3485 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) Datum uitspraak: 23 december 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P.A.M. van Leeuwen, advocaat te Schiedam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november

  1. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. Van Leeuwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante was werkzaam als leidster op een kinderdagverblijf. Op 10 mei 2007 heeft zij zich ziek gemeld met al langer bestaande chronische vermoeidheidsklachten. Appellante is in verband hiermee op 23 juli 2007 gezien door een verzekeringsarts, die haar met ingang van 23 juli 2007 weer geschikt achtte voor haar werk. 1.
  3. Bij besluit van 23 juli 2007 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat zij vanaf 23 juli 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld. 1.
  4. Bij besluit van 23 augustus 2007 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 juli 2007 gegrond verklaard en dat besluit herroepen in die zin, dat zij per 24 juli 2007 geschikt geacht wordt tot het verrichten van haar arbeid.
  5. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  6. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest nu geen informatie is opgevraagd bij de behandelende sector. Appellante is voor haar klachten onder behandeling bij de huisarts en krijgt vitamine B12 voorgeschreven en wordt behandeld in het kader van neuro linguïstische programmering en beide behandelaars hebben aangegeven dat er sprake is van chronische vermoeidheid. Verder acht zij een onderzoek door een onafhankelijk deskundige aangewezen nu haar huisarts de praktijk inmiddels heeft neergelegd waardoor deze niet meer in staat is de medische onderbouwing van de diagnose te verwoorden. 4.
  7. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten grondslag ligt. In de rapportages van die onderzoeken, in hun onderlinge samenhang bezien, is naar het oordeel van de Raad inzichtelijk gemotiveerd waarom appellante per 24 juli 2007 niet meer ongeschikt was voor haar laatst verrichte werk van leidster in een kinderdagverblijf. De Raad volgt in dit verband het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts zoals verwoord in zijn rapportage van 29 juli 2008, dat er geen aanleiding was informatie in te winnen bij de behandelende sector. Er lag geen specifieke diagnose ten grondslag aan de behandeling van de huisarts met vitamine B
  8. Uit het briefje van de huisarts van 21 september 2007 blijkt niet dat hij aanleiding heeft gezien appellante wegens de geclaimde ernstige vermoeidheid door te verwijzen naar een internist, een neuroloog of een psychiater ter verkrijging van een verklaring van deze specialisten op hun vakgebied voor de geclaimde ernstige vermoeidheid. De Raad hecht daarbij ook belang aan het feit dat appellante zelf heeft aangegeven dat uitgebreid bloed- en urineonderzoek is verricht door de huisarts en dat deze geen afwijkingen heeft gevonden behoudens een ijzertekort en een spoortje van Pfeiffer (ca. 10 jaar terug). Voor zover appellante nog heeft willen betogen dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan het verzekeringsgeneeskundig protocol CVS overweegt de Raad onder verwijzing naar zijn uitspraak van 13 mei 2009 (LJN BI3737) dat dit protocol niet van toepassing is bij een beoordeling in het kader van de Ziektewet. 4.
  9. Met betrekking tot het verzoek van appellante een deskundige in te schakelen overweegt de Raad dat dit verzoek reeds op 12 juni 2009 is afgewezen. De Raad ziet in hetgeen ter zitting nog naar voren is gebracht geen aanleiding daar anders over te oordelen. 4.
  10. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  11. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december
  12. (get.) C.P.J. Goorden. (get.) F. Heringa. IvR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.