09/1024 WSF Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 januari 2009, 07/1056 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep). Datum uitspraak: 21 december 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J. Nieuwstraten, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november
- Appellant is niet verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. P.E. Merema. II. OVERWEGINGEN 1.
- Bij brief van 31 mei 2007 heeft de IB-Groep, naar aanleiding van een door appellant gedaan verzoek, appellant een overzicht van zijn schulden verstrekt. 1.
- Bij brief van 15 juni 2007 heeft appellant zich tot de IB-Groep gewend. In deze brief heeft hij in de aanhef aangegeven: ”Betreft: Bezwaarschrift”. In deze brief is voorts vermeld: ”Hierbij teken ik bezwaar tegen de beschikking d.d. 31 mei 2007, zie bijlage.” In deze brief heeft appellant aangegeven dat hij het niet eens is met de op het schuldoverzicht vermelde bedragen en dat hij aanpassing van deze bedragen wenst. Als bijlage heeft appellant meegezonden de brief bedoeld in
- 1.
- Bij besluit van 18 september 2007 heeft de IB-Groep het bezwaar van appellant gemaakt bij brief van 15 juni 2007 niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit rust op de overweging dat de brief van 31 mei 2007 geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 18 september 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank is, kort samengevat, tot het oordeel gekomen dat de IB-Groep terecht het bezwaar tegen de brief van 31 mei 2007 niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat bij de brief van 31 mei 2007 geen zelfstandige rechtsgevolgen in het leven zijn geroepen en de brief mitsdien niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
- Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de IB-Groep de brief van 15 juni 2007 ten onrechte heeft geacht gericht te zijn tegen de brief van 31 mei
- Naar de mening van appellant had zijn brief van 15 juni 2007 door de IB-Groep moeten worden beschouwd als een verzoek om, met gebruikmaking van de bevoegdheid opgenomen in artikel 7.1 van de Wet studiefinanciering 2000, ten aanzien van hem genomen beslissingen te herzien. 4.
- De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt. 4.
- Appellant heeft in de brief van 15 juni 2007 uitdrukkelijk aangegeven dat deze brief een bezwaarschrift behelst tegen de brief van 31 mei
- Terecht heeft de IB-Groep deze brief mitsdien als bezwaarschrift gericht tegen de brief van 31 mei 2007 aangemerkt en de in de brief van 15 juni 2007 opgesomde gronden in dat kader bezien. 4.
- De brief van 31 mei 2007 bevat een overzicht van de reeds eerder door de IB-Groep vastgestelde schulden. Terecht is de rechtbank mitsdien tot het oordeel gekomen dat met deze brief geen rechtsgevolgen in het leven worden geroepen die niet reeds in het leven waren geroepen. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit op bezwaar van 18 september 2007 ongegrond is. 4.
- Het hoger beroep van appellant treft mitsdien geen doel. 4.
- De mededeling van appellant dat de IB-Groep naar aanleiding van zijn verzoek van 28 januari 2009 alsnog bij besluit van 27 februari 2009 tot herziening van zijn studiefinanciering is overgegaan, doet aan het vorenstaande niet af. De door appellant gestelde schade, die hij heeft geleden als gevolg van het naar zijn mening door de IB-Groep te laat herzien van zijn studiefinanciering, kan in de onderhavige procedure - waarin is vast komen te staan dat de IB-Groep terecht het bezwaar tegen de brief van 31 mei 2007 niet-ontvankelijk heeft verklaard - niet aan de orde komen. 4.
- De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 4.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december
- (get.) J. Brand. (get.) T.J. van der Torn. IvR