← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8328

08/6046 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 september 2008, 07/2690 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 23 december 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. I. Roos, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november

  1. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka. II. OVERWEGINGEN
  2. Bij besluit van 2 april 2007 heeft het Uwv beslist dat appellante met ingang van 9 april 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat zij per laatstgenoemde datum geschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid.
  3. Namens appellante is bij brief van 15 mei 2007 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 april
  4. Bij besluit van 23 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar tegen het besluit van 2 april 2007 alsnog niet-ontvankelijk verklaard, alsmede bepalingen gegeven omtrent vergoeding van het griffierecht en de proceskosten. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat genoegzaam is komen vast te staan dat het besluit van 2 april 2007 aan appellante bekend is gemaakt door uitreiking bij de arbeidsmedische beoordeling die op genoemde datum plaatsvond. Hieruit volgt volgens de rechtbank dat de ingevolge artikel 75k van de ZW geldende bezwaartermijn van twee weken is geëindigd op 16 april 2007 en dat niet tijdig bezwaar is gemaakt. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat van redenen om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten niet is gebleken, zodat het Uwv appellante ten onrechte in haar bezwaar heeft ontvangen. 4.
  6. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat, nu op haar bezwaarschrift een inhoudelijke behandeling en beslissing is gevolgd, zij erop mocht vertrouwen dat het bezwaarschrift niet alsnog niet-ontvankelijk zou worden verklaard. Voorts wordt aangevoerd dat, nu het Uwv in correspondentie met haar geen enkele maal heeft gesproken over termijnoverschrijding, mogelijk sprake is van een ongelijke behandeling van appellante vergeleken met andere bezwaarden bij het Uwv. 4.
  7. Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
  8. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende. 5.
  9. In hoger beroep is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 april 2007 niet-ontvankelijk is, omdat het te laat is ingediend en dat er geen reden is om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen. 5.2.
  10. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. 5.2.
  11. Ingevolge artikel 75k, van de ZW bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift in een geschil als bedoeld in artikel 75j, in afwijking van artikel 6:7 van de Awb, twee weken. 5.2.
  12. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 5.2.
  13. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. 5.
  14. In hoger beroep heeft appellante niet uitdrukkelijk betwist dat het besluit van 2 april 2007 op die datum aan haar is uitgereikt. Door uitreiking van het primaire besluit is aan de wettelijke vereisten voor het aanvangen van de bezwaartermijn voldaan. Vast staat dat tegen dit besluit namens appellante op 15 mei 2007 (door het Uwv ontvangen op 22 mei 2007) een bezwaarschrift is ingediend en dat daarmee de bezwaartermijn als genoemd in artikel 75k van de ZW is overschreden. 5.
  15. De grief van appellante dat zij erop mocht vertrouwen dat haar bezwaar ontvankelijk was, omdat dit inhoudelijk is behandeld en op haar bezwaren is beslist, treft naar het oordeel van de Raad geen doel. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad, zoals onder meer zijn uitspraak van 18 maart 2005, LJN AT3523, zijn de wettelijke bepalingen omtrent de termijnen voor het instellen van bezwaar en beroep van openbare orde. Dat betekent dat appellante aan het feit dat haar bezwaar inhoudelijk is behandeld en dat daarop in bezwaar is beslist, redelijkerwijs niet de gerechtvaardigde verwachting kan ontlenen dat haar te laat ingediende bezwaar in strijd met die wettelijke bepalingen ontvankelijk zou zijn. Van redenen om verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding aan te nemen is ook de Raad niet gebleken. Mitsdien heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk is. 5.
  16. De grief van appellante dat mogelijk sprake is van een ongelijke behandeling van appellante met andere bezwaarden kan evenmin slagen, reeds omdat deze grief niet met concrete en verifieerbare gegevens nader is onderbouwd. 5.
  17. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  18. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december
  19. (get.) C.P.J. Goorden. (get.) F. Heringa. IvR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.