07/7189 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 november 2007, 07/1010 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College) Datum uitspraak: 29 december 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober
- Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Rijkers, werkzaam bij de gemeente Eindhoven. II. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellante ontving met ingang van 18 februari 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. 1.2 Naar aanleiding van de ontmanteling van een hennepkwekerij op 7 december 2005 die zich in de schuur op het adres van appellante bevond, heeft de Unit Bijzonder Onderzoek van de gemeente Eindhoven een nader onderzoek ingesteld. In dat kader is, onder meer, appellante verhoord en zijn bankafschriften overgelegd. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 20 september
- De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 21 september 2006 de bijstand van appellante met ingang van 18 februari 2005 in te trekken en de kosten van bijstand over de periode van 18 februari 2005 tot en met 31 juli 2006 tot een bedrag van € 23.036,03 van haar terug te vorderen. Voorts heeft het College besloten de bijstand met ingang van 1 augustus 2006 te beëindigen. Het College heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van regelmatige kasstortingen op haar bankrekening vanaf 18 februari 2005 van in totaal € 16.530,--, alsmede door geen inlichtingen te verstrekken over het telen van hennep in de schuur van haar woning in de periode van 15 oktober 2005 tot en met 7 december
- 1.
- Bij besluit van 13 februari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 21 september 2006 ongegrond verklaard. Het College heeft dit besluit enkel nog gebaseerd op schending van de inlichtingenverplichting, omdat appellante geen melding heeft gemaakt van de kasstortingen.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 februari 2007 ongegrond verklaard.
- Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Met betrekking tot het besluit tot beëindiging van de bijstand met ingang van 1 augustus 2006 overweegt de Raad het volgende. Van beëindiging van bijstand is sprake wanneer aan een besluit tot toekenning van (periodieke) bijstand de juridische werking wordt ontnomen met ingang van een dag die is gelegen op of na de datum van het primaire (beëindigings)besluit. In een geval als het onderhavige, waarin het besluit tot toekenning van bijstand vanaf een in het verleden gelegen datum of over een in het verleden gelegen periode ongedaan wordt gemaakt, is geen sprake van beëindiging maar van intrekking van bijstand. 4.
- De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 18 februari 2005 tot en met 21 september
- De onder 4.1 vastgestelde intrekking met ingang van 1 augustus 2006 valt binnen deze beoordelingsperiode en heeft dan ook geen zelfstandig rechtsgevolg. 4.
- Vaststaat dat op de bankrekening van appellante gedurende de periode in geding zeer regelmatig kasstortingen zijn gedaan. Appellante heeft het College van deze bijschrijvingen nimmer in kennis gesteld. Dit brengt naar het oordeel van de Raad mee dat appellante de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het betreft hier immers gegevens waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de (hoogte van de) bijstand. Het argument van appellante dat zij meende deze kasstortingen niet te hoeven melden omdat het niet ging om bedragen die haar toekwamen treft geen doel, omdat het aan het bestuursorgaan is om te onderzoeken in hoeverre met de kasstortingen bij de bijstandsverlening rekening gehouden dient te worden. 4.
- Voorts kan de Raad zich verenigen met het standpunt van het College dat de via de zeer regelmatige kasstortingen op de rekening van appellante bijgeschreven bedragen aangemerkt moeten worden als inkomsten in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB, die appellante heeft ontvangen in de maanden waarin, ten tijde hier in geding, de stortingen plaatsvonden. Appellante heeft in dit kader aangevoerd dat de inkomsten niet aan haar toegerekend kunnen worden omdat haar bankrekening werd gebruikt om gestorte bedragen door te betalen aan Krukel en Schuur. Voor dit standpunt heeft zij echter geen bewijs geleverd. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt bovendien dat de bijschrijvingen uit kasstortingen veel hoger zijn dan de bedragen die aan Krukel en Schuur zijn overgemaakt. Ook anderszins is de Raad niet gebleken dat de kasstortingen niet als inkomsten bij de bijstand van appellante in aanmerking dienen te worden genomen. 4.
- De Raad is evenwel van oordeel dat niet gezegd kan worden dat als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Hiertoe overweegt de Raad dat het College enkel de inkomsten uit kasstortingen aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, terwijl alle bankafschriften met de bijgeschreven bedragen uit kasstortingen bij het College bekend zijn, zodat het recht op bijstand over de periode van 18 februari 2005 tot en met 21 september 2005 wel degelijk kan worden vastgesteld. 4.
- Hetgeen onder 4.5 is overwogen betekent dat het besluit tot intrekking van de bijstand van appellante op een ondeugdelijke motivering berust en wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op grond van 8:72, derde lid, van de Awb ziet de Raad geen mogelijkheid omdat uit het zich bij de gedingstukken bevindende overzicht van kasstortingen op de rekening van appellante blijkt dat er weliswaar maanden zijn dat appellante geen recht op bijstand heeft, omdat de gestorte bedragen hoger zijn dan de bijstand, maar ook dat er maanden zijn dat appellante nog recht op (aanvullende) bijstand heeft, omdat er geen sprake is van een kasstorting, of dat de gestorte bedragen lager zijn dan de appellante toekomende bijstand. 4.
- Nu het besluit tot intrekking niet in stand kan blijven is daarmee tevens de grondslag aan de terugvordering komen te ontvallen, zodat het besluit tot terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 18 februari 2005 tot en met 31 juli 2006 evenmin in stand kan blijven. 4.
- Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 13 februari 2007 vernietigen. Het College zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De Raad merkt in dat verband nog op dat hetgeen appellante heeft aangevoerd geen dringende redenen vormt op grond waarvan het College overeenkomstig zijn beleid van intrekking of terugvordering zou moeten afzien. Ook is er volgens de Raad geen sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 (slot) van de Awb op grond waarvan het College in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van intrekking of terugvordering zou moeten afzien.
- De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep gegrond; Vernietigt het besluit van 13 februari 2007; Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak; Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--, te betalen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december
- (get.) R.C. Schoemaker. (get.) M.C.T.M. Sonderegger. IJ