← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8788

08/3903 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 mei 2008, 07/2347 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college) Datum uitspraak: 24 december 2009 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.W. Wijers, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Burghout, juridisch adviseur te Monninckendam, en door K. Coomans, werkzaam bij GVB te Amsterdam. II. OVERWEGINGEN
  2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant was met ingang van 1 januari 2000 geplaatst in de functie van [naam functie A] bij de afdeling [naam afdeling], een onderdeel van het (toen nog niet geprivatiseerde) Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam (GVB). Vanaf 1 augustus 2001 tot 2 maart 2006 nam appellant de functie van [naam functie B] voor het project [naam project] waar. Voor die waarneming ontving hij een waarnemingstoeslag. 1.
  4. Bij besluit van 13 januari 2003 is appellants functie van [naam functie A] met ingang van 1 januari 2003 opgeheven. Appellant heeft hierin berust. Aan appellant is bij besluit van 28 mei 2003, gewijzigd bij besluit van 8 juli 2003, met ingang van 1 juli 2003 de RAP-status toegekend. 1.
  5. Bij brief van 8 maart 2006 is aan appellant bevestigd dat, in verband met de werk-zaamheden die hij tijdens zijn RAP-periode heeft verricht, de datum van zijn RAP-status wordt gewijzigd in 1 maart
  6. 1.
  7. Bij besluit van 29 september 2006 heeft het college de waarnemingstoeslag van appellant met ingang van 1 oktober 2006 stopgezet, omdat appellant met ingang van 2 maart 2006 geen werkzaamheden meer heeft verricht voor het GVB. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 11 mei
  8. Wel is appellant daarbij een aflopende garantietoeslag toegekend op grond van artikel 441, tweede en derde lid, en artikel 444 van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA).
  9. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  10. Appellant heeft ter zitting van de Raad zijn hoger beroep beperkt tot de stelling, dat hij uit het onder 1.2 vermelde besluit van 28 mei 2003 de toezegging heeft mogen afleiden, dat gedurende de periode van (RAP-)bemiddeling zijn bezoldiging geen wijziging zou ondergaan en dat derhalve ook de waarnemingstoelage gedurende die periode gehandhaafd zou blijven. Het college heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.
  11. De Raad overweegt het volgende. 4.
  12. Artikel 422, eerste lid, van het ARA bepaalt dat de ambtenaar die is belast met de waarneming van een hoger gewaardeerde betrekking, aanspraak heeft op een waarnemingstoeslag. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat, nu niet in geschil is dat appellant na 1 oktober 2006 niet meer met de waarneming van de functie van [naam functie B] was belast, appellant aan artikel 422, eerste lid, van het ARA geen aanspraak op continuering van zijn waarnemingstoelage na genoemde datum kon ontlenen. 4.
  13. Appellant heeft zich ter onderbouwing van zijn aanspraak op continuering van zijn waarnemingstoeslag beroepen op een passage in het besluit van 28 mei 2003, waar onder het hoofd “Duur bemiddeling en bezoldiging” het volgende is vermeld: “De maximale duur van de bemiddeling (…) is 2 jaar en kan met een maximum van een half jaar worden verlengd. Gedurende de duur van de bemiddeling zal uw bezoldiging in elk geval geen wijziging ondergaan.” De Raad is van oordeel dat, indien al met appellant mag worden aangenomen, dat onder de gegarandeerde “bezoldiging” in de geciteerde passage tevens de aan appellant toegekende waarnemingstoeslag begrepen was, daarbij tevens moet worden vastgesteld dat uit de bewoordingen van deze passage duidelijk volgt, dat deze garantie slechts voor de duur van maximaal tweeënhalf jaar te rekenen vanaf 1 juli 2003, derhalve tot 1 januari 2006, gelding had. Voor de hier in geding zijnde aanspraak van appellant voor de periode vanaf 1 oktober 2006 heeft deze passage derhalve geen betekenis. 4.
  14. Weliswaar is bij brief van 8 maart 2006 aan appellant bevestigd dat 1 maart 2006 als nieuwe ingangsdatum voor de RAP-status zou gelden, maar nu in deze brief niets wordt opgemerkt over garantie van bezoldiging of waarnemingstoeslag, moet er naar het oordeel van de Raad van uit worden gegaan, dat het college niet heeft beoogd af te wijken van de hoofdregel van artikel 422, eerste lid, ARA, inhoudend dat alleen bij daad-werkelijke waarneming aanspraak bestaat op een waarnemingstoeslag.
  15. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  16. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december
  17. (get.) K. Zeilemaker. (get.) M. Lammerse. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.