07/6222 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 september 2007, 06/7996 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda (hierna: College) Datum uitspraak: 15 december 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. S. Karkache, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2009. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken onder reg. nrs. 08/6737 WWB en 08/6764 WWB ten name van appellant en [Naam partner van appellant]. Appellant is vertegenwoordigd door mr. R. Moghni, werkzaam op het kantoor van mr. Karkache. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A. van Dalsum, werkzaam bij de gemeente Gouda. Na de zitting zijn de zaken gesplitst. Er wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant heeft de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit. [Naam partner van appellant] (hierna: de partner) heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij is in augustus of september 2005 Nederland ingereisd met een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) onder de beperking verblijf bij appellant als partner in het kader van gezinsvorming of gezinshereniging. Zij heeft een aanvraag gedaan om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) onder de beperking verblijf bij appellant als partner. Op 10 oktober 2005 zijn appellant en de partner gehuwd. Op 1 november 2005 is met wederzijds goedvinden het dienstverband beëindigd tussen appellant en het advocatenkantoor van mr. S. Karkache. Op 22 december 2005 is de aanvraag om een verblijfsvergunning van de partner afgewezen, omdat appellant niet over voldoende middelen beschikt. Deze beschikking is op 22 september 2006 ingetrokken, maar nadien is de gevraagde verblijfsvergunning opnieuw geweigerd. Deze beschikking is in rechte onaantastbaar geworden. Ook nadien is de partner geen verblijfsvergunning verleend. 1.2. Op 3 januari 2006 heeft appellant een aanvraag gedaan om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. 1.3. Bij besluit van 23 februari 2006 heeft het College aan appellant bijstand toegekend met ingang van 25 november 2005 naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt - voor zover hier van belang - voor zover hem geen bijstand is toegekend naar de norm voor gehuwden. 1.4. Bij besluit van 29 augustus 2006 heeft het College - voor zover hier van belang - het bezwaar tegen het besluit van 23 februari 2006 ongegrond verklaard. Dit besluit steunt - voor zover hier van belang - op de overweging dat de partner niet de Nederlandse nationaliteit heeft, geen rechtmatig verblijf heeft of heeft gehad in de zin van artikel 8, aanhef en sub a tot en met e en l, van de Vw 2000, en daarom niet voor de toepassing van de WWB met een Nederlander gelijk kan worden gesteld, zodat zij niet voor verlening van bijstand in aanmerking komt. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 augustus 2006 ongegrond verklaard. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd met een beroep op artikel 13, tweede lid, van de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (Richtlijn 2003/86/EG). 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw 2000, met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn 2004/38/EG. 4.2. Op grond van artikel 11, derde lid, van de WWB in verbinding met artikel 1 van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, IOAW, IOAZ en WWIK (hierna: het Besluit) wordt voor de toepassing van de WWB met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling, die na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden, vóór de beëindiging van het rechtmatig verblijf een aanvraag om voortgezette toelating heeft ingediend of tijdig bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vw 2000. 4.3. Ingevolge artikel 8 van de Vw 2000 - voor zover hier van belang - heeft een vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf: a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14; b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20; c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28; d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33; e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; f. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist; h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist; i. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. 4.4. Volgens artikel 1 van de Richtlijn 2003/86/EG is het doel van deze richtlijn de voorwaarden te bepalen voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging door onderdanen van derde landen die wettig op het grondgebied van de lidstaten verblijven. Ingevolge artikel 2 van deze richtlijn wordt daarin verstaan onder:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.