← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2009:BL0201

07/6279 MAW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 september 2007, 07/1413 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris) Datum uitspraak: 31 december 2009 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellant is meermalen uitstel verzocht van de behandeling van het onderhavige geding. Op 9 november 2009 is bij de Raad ingekomen een rapport van de psychiater J.M.J.F. Offermans van 5 november

  1. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2009, gevoegd met het geding tussen partijen, nr. 07/4883 MPW. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.M. Groenhart, werkzaam bij ACOM, CNV-bond van militairen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.W.C. Naalden en P.J.H. Souren, werkzaam bij het ministerie van Defensie respectievelijk bij de Stichting Pensioenfonds ABP. Als van de zijde van appellant meegebrachte getuige, respectievelijk getuige-deskundige zijn verschenen en gehoord H.C. Siereveld, wonende te Roden, en J.M.J.F. Offermans, psychiater te Bussum. II. OVERWEGINGEN
  2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant, geboren op [datum] 1953, is vanaf 1972 werkzaam geweest bij de Koninklijke Landmacht als beroepsofficier onbepaalde tijd, laatstelijk als sergeant-majoor der artillerie. Bij besluit van 26 januari 1993 is hem met ingang van 1 maart 1993 eervol ontslag uit de dienst verleend met toepassing van artikel 39, tweede lid, onder f van het Algemeen militair ambtenarenreglement, omdat hij uit hoofde van ziekte of gebrek ongeschikt werd geacht voor het vervullen van de militaire dienst. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend. 1.
  4. Bij brief van 6 april 2005, aangevuld bij brief van 1 september 2005, heeft appellant aan de staatssecretaris verzocht om rehabilitatie en een hernieuwd onderzoek naar de oorzaken van zijn ontslag. Hij heeft verzocht het ontslag om te zetten in een dienst-verbandontslag. Bij besluit van 23 februari 2006 heeft de staatssecretaris geweigerd terug te komen van het ontslagbesluit van 26 januari 1993, welke weigering na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 12 februari
  5. Het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank in hoofdzaak overwogen dat het verzoek van appellant ertoe strekt dat de staatssecretaris terugkomt van het in rechte onaantastbaar geworden ontslagbesluit van 26 januari
  6. De rechtbank achtte geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die zouden moeten nopen tot heroverweging van het besluit van 26 januari
  7. Zowel de medische stukken als de verklaringen van ex-commandanten die appellant heeft overgelegd kunnen volgens de rechtbank niet beschouwd worden als nieuwe feiten of omstandigheden, aangezien appellant al over die stukken beschikte of had kunnen beschikken ten tijde van het ontslag. De grief van appellant met betrekking tot de destijds gehanteerde ziektecode had hij ook in een eerder stadium naar voren kunnen brengen.
  8. De Raad kan zich geheel vinden in dit oordeel van de rechtbank. Na het ontslagbesluit van 26 januari 1993 is appellant op zijn verzoek in 1996/1997 in het kader van zijn pensioenaanvraag opnieuw medisch onderzocht. Hierbij is door de psychiater prof. dr. M. Kuilman vastgesteld dat er geen relatie was tussen de bij appellant bestaande psychische klachten en de militaire dienst. Ook hierin heeft appellant berust. De stukken die appellant ter ondersteuning van zijn verzoek bij de staatssecretaris heeft ingebracht leveren geen nieuwe feiten en omstandigheden op in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Met betrekking tot de in beroep en in hoger beroep ingebrachte stukken verwijst de Raad naar zijn oordeel hieromtrent in zijn uitspraak van heden onder nummer 07/4883 MPW.
  9. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  10. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 december
  11. (get.) A. Beuker-Tilstra. (get.) M. Lammerse. HD 14.12

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.