← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2009:BL0243

08/6391 WUBO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 31 december 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 25 september 2008, kenmerk BZ 8494, JZ/H60/2008, ten aanzien van appellant genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november

  1. Daar is namens appellant verschenen mr. L. Rijpkema, advocaat te Groningen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN
  2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant, geboren in oktober 1940, heeft in januari 2008 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Appellant heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië. 1.
  4. Bij besluit van 8 mei 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster op deze aanvraag afwijzend beslist. Daartoe heeft verweerster overwogen - kort gezegd - dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet.
  5. De Raad overweegt als volgt. 2.
  6. Namens appellant is ter zitting naar voren gebracht dat voor de beantwoording van de vraag of appellant getroffen is door oorlogsgeweld in de zin van de Wet nog slechts ter beoordeling van de Raad moet voorliggen de vraag of appellant getuige is geweest van het vermoorden van een Javaans echtpaar door Japanse bewakers. 2.
  7. Op grond van de voorhanden zijnde gegevens kan de Raad niet anders dan vaststellen dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk is gemaakt dat appellant van die gebeurtenis getuige is geweest. Weliswaar heeft de zuster van appellant ten behoeve van haar eigen aanvraag in het kader van de Wet aangegeven dat zij en haar broertje getuige waren hoe Japanse bewakers van een interneringkamp met “Belanda’s” een Javaanse man onthoofdden en diens zwangere vrouw hebben opengereten, maar alleen die verklaring kan niet gelden als een voldoende bevestiging en dient te worden ondersteund met aanvullende objectieve gegevens. Dergelijke gegevens zijn niet verkregen of overgelegd. De omstandigheid dat een appellant behandelende psychiater heeft aangegeven dat appellant door executies is getraumatiseerd, kan in dit geval niet gelden als een bevestiging van oorlogservaringen aangezien deze psychiater niet beschikt over de - voor een feitelijke vaststelling als de onderhavige - noodzakelijke informatie, maar slechts over informatie die naar aanleiding van een gesprek met appellant is opgetekend. Verder acht de Raad het niet aangewezen verweerster te gelasten de als mogelijke getuige genoemde mevrouw [J.] te benaderen, alleen al omdat deze getuige volgens opgave van de zuster van appellant in een ander kamp was geïnterneerd dan het kamp waarbij het Javaanse echtpaar is vermoord. 2.
  8. Voor zover namens appellant is gewezen op de ontwrichting van het (gezins)leven en de armoede waaronder het gezin waartoe appellant behoorde de oorlogsjaren heeft doorgemaakt, merkt de Raad op dat - naar vaste rechtspraak van de Raad - dit algemene oorlogsomstandigheden zijn, waaraan in meerdere of mindere mate eenieder heeft blootgestaan en deze niet zijn aan te merken als oorlogsgebeurtenissen in de zin van de Wet.
  9. Uit het bovenstaande volgt dat het beroep van appellant ongegrond moet worden verklaard.
  10. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 december
  11. (get.) A. Beuker-Tilstra. (get.) M. Lammerse. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.