← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8718

08/4099 ZW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 mei 2008, 07/2249 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 6 januari 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. S. Demirtas, advocaat te Nieuwegein, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Demirtas. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel. II. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant, werkzaam als productiemedewerker voor 40 uur per week, heeft zich na een auto-ongeval op 9 juni 2006 ziekgemeld. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant meerdere malen het spreekuur van de verzekeringsarts Y. van der Voort bezocht. Na het spreekuur van 16 april 2007 is appellant per 23 april 2007 hersteld verklaard. 1.
  3. Bij besluit van 16 april 2007 heeft het Uwv per 23 april 2007 (verdere) uitkering van ziekengeld geweigerd. Bij besluit van 10 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 april 2007, onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts L. ten Hove en debezwaararbeidsdeskundige A.A. Goossens van respectievelijk 14 juni 2007 en 29 juni 2007, ongegrond verklaard.
  4. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  5. Appellant heeft - kort samengevat - in hoger beroep aangevoerd dat hij een scala aan klachten heeft en (thans) bekend is geworden dat hij ook een whiplash probleem heeft. Het Uwv had volgens hem nader onderzoek moeten doen naar de diagnose whiplash. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant nadere medische stukken in het geding gebracht. Nu deze medisch stukken niet bij het Uwv bekend waren en er geen juist medisch onderzoek heeft plaatsgevonden naar de lichamelijke- en psychische gesteldheid, is appellant van mening dat het onderzoek naar de belastbaarheid niet juist is gebeurd en dat het bestreden besluit mitsdien onzorgvuldig is voorbereid. 4.
  6. De Raad overweegt als volgt. 4.
  7. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. 4.
  8. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook de Raad is van oordeel dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldige medische beoordeling. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de primaire verzekeringsarts appellant diverse malen heeft onderzocht en daarbij beschikte over informatie van de behandelend sector. De bezwaarverzekeringsarts Ten Hove heeft appellant eveneens onderzocht en de in bezwaar overgelegde informatie van de huisarts, de psychiater, de chirurg en de reumatoloog meegewogen in haar oordeel. Ten aanzien van de nadien overgelegde informatie van de psychotherapeut drs. J.K. Kruijt verwijst de Raad naar het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts, zoals vermeld in haar rapport van 6 september
  9. De Raad ziet voorts in de door appellant in hoger beroep ingebrachte medische informatie van de chirurg P.R. Schütte van 1 juli 2008, de psycholoog drs. M. Horn-Titiz van 27 juni 2008, de revalidatie-arts Q.M. van Veen-Snijders van 14 januari 2008 en de stukken van OCA geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en de volledigheid van de onderzoeken en de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapportage van 5 september 2008 voldoende gemotiveerd aangegeven dat de thans gestelde diagnose whiplash, de klachten en de weging van de belastbaarheid van appellant op de datum in geding niet anders maakt. Daarbij merkt de Raad op dat de in hoger beroep overgelegde informatie geen betrekking heeft op de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding. 4.
  10. Ten aanzien van de maatstaf arbeid merkt de Raad nog op dat de bezwaararbeidsdeskundige Goossens nader onderzoek heeft gedaan. De bezwaararbeidsdeskundige heeft contact gehad met de voormalige werkgever en hiervan in een rapport van 29 juni 2007 verslag gedaan. De Raad ziet geen grond deze rapportage voor onjuist te houden. 4.
  11. De Raad is, gelet op hetgeen onder 4.3 en 4.4 is overwogen, van oordeel dat het Uwv op goede gronden de conclusie heeft getrokken dat appellant per 23 april 2007 in staat moet worden geacht om zijn arbeid te verrichten en dat appellant derhalve met ingang van die datum geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de ZW. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
  12. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari
  13. (get.) C.P.J. Goorden. (get.) F. Heringa. TM

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.