09/295 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de erven van [naam betrokkene], wonende te Vlaardingen (hierna: appellanten), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2008, 08/2456 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellanten en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 5 februari 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, gevestigd te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2010.Appellanten zijn – met kennisgeving – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.M.C. Höppener. II. OVERWEGINGEN 1.
- Het Uwv heeft bij besluit van 16 juli 2004 de uitkering van [naam betrokkene] (hierna: betrokkene) op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ongewijzigd voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.
- Volgens een zich in het dossier bevindend “MEMO CLIENT” van 10 oktober 2007 heeft het Uwv op 5 oktober 2007 een bedrag van € 957,13 retour ontvangen met de vermelding dat betrokkene op 29 juni 2007 was overleden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 22 oktober 2007 de in overweging 1.1 vermelde WAO-uitkering met ingang van 30 juni 2007 beëindigd. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel ingesteld. 1.
- Het Uwv heeft bij besluit van 20 december 2007 van appellanten een bedrag van € 2.448,92 bruto aan teveel betaalde WAO-uitkering over de periode van 30 juni tot 1 november 2007 teruggevorderd. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 21 februari 2008 het terugvorderingsbedrag gewijzigd in € 3.673,38 bruto omdat het Uwv veronderstelde dat tweemaal een bedrag van netto € 1.224,46 retour was gekomen.
- Het Uwv heeft bij besluit van 6 mei 2008 het bezwaar tegen het besluit van 21 februari 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv gewezen op het feit dat geen tijdige informatie is verstrekt over het overlijden van betrokkene. Voorts heeft het Uwv gesteld dat het in oktober 2007 teruggestorte bedrag van € 957,13 is omgerekend naar een bruto-bedrag van € 1.224,
- Verder gaf het Uwv aan dat het correctiebesluit van 21 februari 2008 binnen een zeer redelijke termijn is genomen en dat het Uwv ingevolge artikel 57 van de WAO verplicht is tot terugvordering. Ten slotte gaf het Uwv uitleg over de techniek van terugvorderen en de daarmee samenhangende fiscale gevolgen.
- De rechtbank heeft het beroep van appellanten tegen het besluit van 6 mei 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Zij heeft grotendeels vergelijkbare overwegingen gegeven over de beroepsgronden als het Uwv over de bezwaargronden en is in het bijzonder – onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 15 juli 2005 (LJN AT9802) – nader ingegaan op de mogelijkheid voor een bestuursorgaan om hangende de bezwaarprocedure een nadeliger besluit te nemen.
- In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellanten vergelijkbare gronden als in bezwaar en beroep aangevoerd. 5.
- De Raad heeft geen aanleiding gezien over het bestreden besluit anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Hij voegt daar nog aan toe dat uit het dossier niet valt op te maken waarom appellanten het overlijden van betrokkene eerst begin oktober 2007 aan het Uwv hebben gemeld bij het terugstorten van het in overweging 1.2 vermelde bedrag. Mede gelet hierop en in aanmerking genomen het bepaalde in artikel 53 van de WAO omtrent de overlijdensuitkering, welke appellanten niet hebben aangevraagd, valt niet in te zien waarop appellanten de door hen gestelde gerechtvaardigde verwachting baseren dat er recht op uitkering bestond omdat het Uwv ook doorbetaalde na de terugstorting. Wat betreft het bruto terugvorderen van onverschuldigde betalingen wijst de Raad, naast hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen, op hetgeen door het Uwv is opgemerkt in het verweerschrift over de verplichting een bruto-bedrag terug te vorderen en de mogelijkheid om te volstaan met terugbetaling van een netto-bedrag in het geval van terugbetaling binnen hetzelfde belastingboekjaar als waarin onverschuldigd werd betaald. Ten slotte stelt de Raad vast dat, voor zover appellanten in hoger beroep hebben beoogd tevens op te komen tegen de herziening (beëindiging) van de WAO-uitkering bij het besluit van 22 oktober 2007, dit buiten de omvang van het onderhavige geding valt. Tegen dit besluit is immers, zoals in overweging 1.2 is aangegeven, destijds geen rechtsmiddel ingesteld zodat dit besluit rechtens onaantastbaar is. 5.
- Gelet op overweging 5.1 slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
- Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 februari
- (get.) C.W.J. Schoor. (get.) M.A. van Amerongen. IvR