08/2283 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante) tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 maart 2008, 07/3060 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 19 februari 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. D.J. Ladrak, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 16 juni 2008 heeft het Uwv een rapport van 13 juni 2008 van bezwaarverzekeringsarts M. Keus ingestuurd, waarin hij een reactie heeft gegeven op het hoger beroepschrift. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 januari
- Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Namens het Uwv is verschenen M. de Bluts. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellante was voorheen voltijds werkzaam als leerling verpleegkundige. Voor deze werkzaamheden is zij op 11 februari 1991 uitgevallen wegens darmklachten ten gevolge van de ziekte van Crohn. Met ingang van 1 mei 1992 is appellante ontslagen en bij een P1-keuring in 1993 blijvend ongeschikt bevonden voor haar functie. 1.
- Laatstelijk ontving appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. 1.
- Sinds februari 2005 is appellante voor 22 uur per week werkzaam als documentair informatieverzorger bij de gemeente Nieuwekerk aan de IJssel. 1.
- In het kader van een herbeoordeling in verband met het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit heeft verzekeringsarts R. Kok dossierstudie verricht en appellante onderzocht tijdens een spreekuurcontact. In zijn rapport van 5 juli 2006 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat er bij appellante in het verleden een chronische darmaandoening is vastgesteld, waarvan bekend is dat dit samengaat met een verminderd energieniveau. Dit maakt dat appellante niet in staat is tot fysiek zware arbeid. Tevens is appellante beperkt wat betreft frequente deadlines en een continu hoog werktempo. Naast deze beperkingen ziet de verzekeringsarts, mede gelet op het dagverhaal van appellante, waarbij geen uitgesproken rustmomenten naar voren komen, geen medische indicatie voor een urenbeperking. De belastbaarheid van appellante is weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 juli 2006 Vervolgens heeft arbeidsdeskundige R. Busé in zijn rapport van 7 september 2006 na functieduiding het verlies aan verdiencapaciteit berekend op nihil. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 22 september 2006 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 23 november 2006 ingetrokken.
- In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts M. Keus. Deze arts is bij de hoorzitting aanwezig geweest en heeft de brief van 14 december 2006 van M.J. Fraanje, huisarts van appellante, en de brief van 1 november 2005 met bijlagen van dr. R.A. van Hogezand, MDL-arts, bij zijn beoordeling betrokken. Op zijn verzoek om meer recente informatie heeft bezwaarverzekeringsarts Keus van de MDL-arts geen reactie ontvangen. In zijn rapport van 22 maart 2007 heeft Keus geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellante, zoals weergegeven in de FML van 5 juli 2006, niet is overschat. Bij het besluit van 23 maart 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 september 2006 ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank, kort weergegeven, geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het besluit op een voldoende medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank, mede gelet op het in beroep overgelegde arbeidskundige rapport van 17 januari 2008, geen aanknopingspunten gezien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante ongeschikt te achten. Nu een deugdelijke arbeidskundige toelichting op die functies eerst na de datum van het bestreden besluit is verkregen, dient, aldus de rechtbank, dit besluit vernietigd te worden, maar bestaat er aanleiding om de rechtsgevolgen ervan geheel in stand te laten.
- In hoger beroep is namens appellante - kort samengevat - aangevoerd dat haar belastbaarheid is overschat. Appellante acht zich vanwege de ziekte van Crohn niet in staat om voltijds te werken. Er is op preventieve gronden een indicatie voor het aannemen van een urenbeperking, aldus appellante. 5.
- De Raad overweegt als volgt. 5.
- De Raad heeft in het hoger beroep van appellante geen aanleiding gezien om over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat bezwaarverzekeringsarts Keus in zijn rapport van 22 maart 2007, aangevuld met zijn rapport van 13 juni 2008, voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen grond is om voor appellante nog een urenbeperking te aan te nemen. Bij appellante is, aldus Keus, geen sprake van een actief ziektebeeld van de darmziekte, er is geen sprake geweest van een recente exacerbatie (opvlammen) van de ziekte, die al jaren een rustig en stabiel beloop kent. Met het duiden van beperkingen ten aanzien van energetisch belastende activiteiten in de FML van 5 juli 2006 is naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts voldoende rekening gehouden met de klachten. Tevens is de Raad met de bezwaarverzekeringsarts van oordeel dat het dagverhaal van appellante evenmin aanleiding geeft voor het aannemen van een urenbeperking. Tot slot overweegt de Raad dat appellante in hoger beroep geen nadere medische informatie heeft overgelegd die een ander licht werpt op haar medische situatie op de datum in geding. 5.
- Tevens is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende arbeidskundige grondslag berust. Met het arbeidskundige rapport van 17 januari 2008 heeft, zoals ook de rechtbank overwoog, het Uwv genoegzaam toegelicht dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van administratief medewerker (sbc-code 515100), medewerker bibliotheek (sbc-code 553010) en archiefmedewerker (sbc-code 315130) in medisch opzicht geschikt te achten zijn voor appellante. 5.
- Uit de overwegingen 5.2 en 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari
- (get.) C.W.J. Schoor. (get.) M.A. van Amerongen. KR