08/7133 ZW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 november 2008, 08/496 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 24 februari 2010 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E. Osinga, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Op een namens appellant ingezonden verklaring van diens psycholoog drs. C. Arisoy van 14 januari 2009 heeft het Uwv schriftelijk gereageerd. Het Uwv heeft nadien een hem door de Raad voorgelegde vraag schriftelijk beantwoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari
- Voor appellant is verschenen mr. B. Anik, kantoorgenoot van mr. Osinga. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan. II. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant, laatstelijk werkzaam geweest als medewerker wasserij, ontving sinds 11 augustus 1993 onder meer een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling heeft arbeidsdeskundige G.C.J. de Froe, uitgaande van een door een verzekeringsarts vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 4 april 2006, in zijn rapport van 18 september 2006 een aantal functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op minder dan 15%. Bij besluit van 25 september 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 26 november 2006 ingetrokken. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 1 maart 2007 ongegrond verklaard en het tegen het besluit van 1 maart 2007 ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 29 november 2007, 07/675, ongegrond verklaard. 1.
- Op 4 januari 2007 heeft appellant zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld wegens toegenomen longklachten en psychische klachten. Op 23 februari 2007 is appellant onderzocht door een verzekeringsarts. Op 16 april 2007 is appellant wederom door een verzekeringsarts onderzocht. Deze arts heeft op basis van eigen onderzoek en aanwezige informatie van de longarts van appellant geconcludeerd dat er geen sprake was van een verslechterde medische situatie en dat appellant aangewezen is op werkzaamheden in overeenstemming met de FML van 4 april
- Hij acht appellant dan ook per 17 april 2007 geschikt voor de in het kader van de WAO-herbeoordeling aan appellant voorgehouden functies, waaronder de functie inpakker. Bij besluit van 23 april 2007 heeft het Uwv meegedeeld dat appellant met ingang van 17 april 2007 weer geschikt wordt geacht voor zijn arbeid en dat hij met ingang van die datum geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 1.
- Op 2 augustus 2007 is appellant onderzocht door bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel. Deze heeft appellant onderzocht en geoordeeld dat er een expertise door een psychiater dient te worden verricht. Psychiater-psychoanalyticus B. Oskam heeft bij schrijven van 7 januari 2008 gerapporteerd over het door hem verrichte psychiatrisch onderzoek en de hem door Bockwinkel voorgelegde vragen beantwoord. Bockwinkel heeft opnieuw gerapporteerd op 14 januari 2008 en als zijn standpunt te kennen gegeven dat appellant mede gelet op het rapport van Oskam, op de in geding zijnde datum 17 april 2007 in staat moet worden geacht om minstens één van de in het kader van de WAO-herbeoordeling aan appellant voorgehouden functies te vervullen, waarmee appellant niet arbeidsongeschikt is in de zin van de ZW. De door Oskam in de aanvangsfase wenselijk geachte urenbeperking is door Bockwinkel besproken maar niet overgenomen. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 18 januari 2008 het bezwaar tegen het besluit van 23 april 2007 ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 18 januari 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
- In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn longklachten en psychische klachten bij het bestreden besluit zijn onderschat en dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat het te summier was en er onvoldoende medische informatie bij zijn behandelaars is opgevraagd. Appellant heeft voorts een verklaring ingezonden van de hem behandelend psycholoog Arisoy van 14 januari
- De Raad overweegt als volgt. 4.
- Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. 4.
- Naar de Raad reeds bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste jurisprudentie van de Raad echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat in dergelijke gevallen van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de WAO. 4.
- De Raad staat derhalve voor de beantwoording van de vraag of hij zich kan stellen achter het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant met ingang van 17 april 2007 in elk geval niet (langer) ongeschikt moet worden geacht voor de voor hem in het kader van de WAO-herbeoordeling voorgehouden functies waaronder de functie inpakker. 4.
- De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Met de rechtbank acht de Raad door appellant niet aannemelijk gemaakt dat, in vergelijking met de gezondheidstoestand van appellant voor de ziekmelding, nog (langer) van een toename van appellants beperkingen sprake is. In de voorhanden zijnde medische informatie, in het bijzonder die medische informatie waarop door appellant beroep wordt gedaan, ziet de Raad geen grond voor een andersluidend oordeel. Hij wijst daartoe op de door Oskam op verzoek van Bockwinkel uitgebrachte rapportage, welke rapportage naar het oordeel van de Raad genoegzaam steun biedt voor het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat van een toename van beperkingen niet langer sprake is. Met het Uwv is de Raad voorts van oordeel dat de urenrestrictie die volgens Oskam in de aanvangsfase gewenst is niet door Oskam op strikt medische gronden wordt voorgesteld. De door Bockwinkel gegeven motivering om ten aanzien van appellant niet van een urenbeperking uit te gaan, acht de Raad adequaat en overtuigend. De door appellant in hoger beroep ingebrachte verklaring van zijn psycholoog Arisoy van 14 januari 2009 vermag de Raad niet tot een andersluidend oordeel te brengen, nu hij zich kan vinden in de reactie van het Uwv dat de gegevens in die verklaring niet afwijken van eerdere gegevens die reeds bekend waren. 4.
- Gelet op het onder 4.1 tot en met 4.4 overwogene heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant met ingang van 17 april 2007 niet langer ongeschikt was voor zijn werk. Hieruit volgt dat appellant terecht een (verdere) uitkering ingevolge de ZW is geweigerd.
- De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
- De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en H. Bolt en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari
- (get.) C.P.J. Goorden. (get.) M.A. van Amerongen. JL